Ze werden verdacht van gewelddadige plannen tegen de overheid en zaten weken – of zelfs maanden – in de cel. Omdat ze pepperspray in huis hadden, omgingen met andere verdachten of bekendstaan als activistisch. In de Barracuda-zaak claimt het OM een terroristisch netwerk van radicale soevereinen te hebben opgerold, maar het bewijs tegen sommige verdachten is flinterdun.

Follow the Money ★ 28 maart 2026

Dit stuk in 1 minuut

Wat is het nieuws?
  • Het OM jaagt in de Barracuda-zaak op een vermeend netwerk van radicale soevereinen die een aanslag zouden voorbereiden op de overheid.
  • Zogeheten soevereinen streven ernaar de overheid zo veel mogelijk buiten hun leven te houden. Volgens veiligheidsdiensten kan dit gedachtegoed op langere termijn de democratische rechtsorde ondermijnen.
  • Strafdossiers laten zien dat de zware verdenkingen in sommige gevallen gebaseerd zijn op oppervlakkige contacten en materiaal dat met soeverein gedachtegoed wordt geassocieerd, terwijl die verdachten zelf geen aantoonbare soevereinen zijn. 
  • Volgens experts illustreert de zaak hoe justitie steeds vaker vroeg ingrijpt waar het gaat om ‘anti-institutionele netwerken’ en daarbij de grenzen van de terrorismewetgeving opzoekt. 
Waarom is dit belangrijk?
  • Nieuwe veiligheidslabels zoals ‘anti-institutioneel extremisme’ spelen een groeiende rol in het signaleren van mogelijke nationale dreigingen. 
  • Zulke categorieën zijn breed en diffuus en volgens wetenschappers niet bedoeld als strafrechtelijk bewijs, maar kunnen in de praktijk wel bijdragen aan zware verdenkingen.
  • De zaak roept een bredere vraag op: hoe ver mag de staat gaan om mogelijke dreigingen vroegtijdig te bestrijden, zonder dat politieke opvattingen of met wie iemand omgaat onderdeel van een terrorismeverdenking worden?
Hoe hebben we dit onderzocht? 
  • FTM sprak met betrokkenen, verdachten en advocaten in de Barracuda-zaak, kreeg inzage in delen van het strafdossier en woonde rechtbankzittingen bij.
  • De bevindingen werden besproken met deskundigen op het gebied van anti-institutionele en soevereine bewegingen. Het OM Noord-Nederland is om een inhoudelijke reactie gevraagd.

Het was in juni 2025 landelijk nieuws: de aanhouding van een groep radicale soevereinen die een dreiging zouden vormen voor de tweedaagse Navo-top in Den Haag. Volgens het OM zou deze groep terroristische plannen hebben met wapens en het dodelijke gif ricine. In deze onderzoeksreconstructie laat ik zien hoe deze Barracuda-zaak beweegt tussen veiligheidslogica rond ‘anti-institutioneel extremisme’ en strafrechtelijke logica.

De tegenstelling tussen twee rechter-commissarissen die op 17 juni beslissen over het langer in voorarrest houden van de (toenmalige) verdachten Marieke de Velde en Bram Gelderblom is daar een miniatuurversie van. De ene lezing ziet vooral risico-indicatoren en context; de andere ziet vooral het gebrek aan concrete onderbouwing.

Bij Gelderblom merkt de rechter-commissaris over de aangetroffen substantie in de vriezer op: ‘Er wordt gesuggereerd dat dit mogelijk gif zou zijn, maar dit blijkt nergens uit. Waarom dit in de afgelopen dagen niet is onderzocht, is onduidelijk. Dit terwijl de verdachte van meet af aan verklaard heeft dat het kokosmelk is.’ 

Over de aangetroffen documenten: ‘Het mag zo zijn dat hieruit zou kunnen blijken van een bepaald gedachtegoed, maar dit is onvoldoende voor een verdenking.’ Op 17 juni wordt Gelderblom uit voorarrest vrijgelaten. 

Bij De Velde speelt het kokosmelkverhaal geen rol voor de rechter-commissaris, die ook oordeelt dat de aantroffen documenten ‘wijzen op de gewelddadige kant van de soevereine denkwijze’. Dit, samen met het OVC-gesprek over ricine, is voor de rechter-commissaris voldoende grond voor het bevel om haar detentie te verlengen.

Die passage laat zien dat de kernvraag van de Barracuda-zaak misschien niet is óf sommige verdachten radicale ideeën hadden, maar wanneer radicale ideeën, losse contacten, wapens en gesprekken juridisch voldoende worden om van terrorisme te spreken. Dat lijkt precies de grens te zijn die het OM in deze zaak probeert te verkennen.

Misschien wel de grootste ironie in deze zaak is de rol van verdachte Tilasmi Frigge. Volgens het strafdossier leidde een eerdere tip dat Frigge zelf interesse zou hebben in het maken van ricine niet tot een groot onderzoek. Zijn latere tip over Arno van Kessel en John van K. vormde daarentegen het startpunt van wat uitmondde in een van de grootste terrorisme-onderzoeken van Noord-Nederland.

In oktober 2022 had de politie een tip gekregen dat Frigge ricine zou willen maken om huisartsen onder druk te zetten over het coronavaccin. Agenten spraken hem hierover, maar dat leidde niet tot verder onderzoek. De melding volgde kort na een breuk tussen Frigge en zijn Friese kennissenkring, waaronder medeverdachten Ritske B. en Arno van Kessel.

Anderhalf jaar later tipt Frigge zelf de politie en de deken van de Orde van Advocaten in Noord-Nederland. Zijn doel was, verklaart hij aan FTM, een onderzoek naar Van Kessel te starten, hem ‘uit te schakelen als advocaat’ en de ‘sekte’ rond hem aan te pakken. Het Barracuda-onderzoek lijkt daarmee voort te komen uit interne conflicten binnen een kleine kring van corona-activisten in Friesland.

De oorsprong van de zaak past daarmee minder goed in het klassieke beeld van een veiligheidsdienst die een terroristische cel ontdekt, en meer in een escalatie van ruzies, dreigementen en aangiftes binnen een activistisch milieu. Hoe de terrorismeverdenkingen uiteindelijk worden gewogen, zal waarschijnlijk pas medio 2027 blijken.

Lees verder bij Follow the Money.

Posted in