• Geen overbevissing of klimaatverandering, maar een bacterie kan massastranding van bruinvissen verklaren

    Dat er afgelopen zomer in korte tijd bijna tweehonderd dode bruinvissen aanspoelden op de Waddeneilanden, ligt niet aan windparken, klimaatverandering of overbevissing. Onderzoekers vermoeden dat een bacterie de boosdoener is.

    Friesch Dagblad ★ 27 november 2021

    Het gaat om de Erysipelothrix rhusiopathiae, een bacterie die bij veel diersoorten voorkomt en vlekziekte kan veroorzaken. Bij drie kwart van de onderzochte bruinvissen zat de bacterie in allerlei organen en heeft het tot bloedvergiftiging geleid. „We doen al heel lang onderzoek naar bruinvissen, maar deze specifieke bacterie hebben we niet eerder aangetroffen”, zegt bioloog Lonneke IJsseldijk van de Universiteit Utrecht.

    Eind augustus spoelden er in tien dagen tijd circa 190 bruinvissen aan op de Waddeneilanden – ongeveer het zestigvoudige van wat normaal zou zijn in die periode van het jaar. In opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) werd de afgelopen maanden onderzoek gedaan naar de mogelijke doodsoorzaak.

    Vrouwtjes

    16 van de 22 onderzochte bruinvissen bleken volwassen vrouwtjes te zijn, terwijl het bij strandingen doorgaans om jonge dieren gaat. „Ze zagen er redelijk goed uit en hadden een gezonde vetlaag en relatief weinig parasieten”, zegt IJsseldijk. „Veel van de volwassen vrouwtjes waren kortgeleden drachtig geraakt, dus een plotselinge dood ligt voor de hand.”

    De bruinvissen verkeerden bij de massastranding eind augustus al in een verregaande staat van ontbinding. „Ze hebben zo’n twee of drie weken op zee gedreven voordat ze met de noordenwind op de Waddeneilanden aanspoelden”, zegt marien bioloog Mardik Leopold van Wageningen University & Research.

    Oestergronden

    Vermoedelijk vonden de bruinvissen de dood op de Centrale Oestergronden, ongeveer honderd kilometer ten noordwesten van de Waddeneilanden. Dat is niet alleen aannemelijk door berekeningen uit zeestromingsmodellen, maar ook door onderzoek van de maaginhoud. „Daar vonden we resten van sprotjes en horsmakrelen, maar geen zandspiering. Die vissoort komt alleen op zandbodems voor en pas zo’n honderd kilometer uit de kust gaat de zandbodem over in klei.”

    Afgelopen zomer deden al snel verschillende geruchten de ronde over mogelijke oorzaken. De massale sterfte onder bruinvissen zou door klimaatverandering komen, door overbevissing, of door de bouw van windparken op zee. Er werd zelfs gesuggereerd dat een militaire oefening van de Koninklijke Marine de bruinvissen het leven zou hebben gekost. „Dat hebben we allemaal kunnen uitsluiten als mogelijke oorzaak”, zegt Leopold. „Die oefening van de marine zat te dicht onder de kust, en kan geen oorzaak zijn geweest.”

    De meest waarschijnlijke kandidaat is dus de bacterie die uit de kweekjes van de Universiteit Utrecht naar voren kwam. „Die bacterie lijkt dus ook in de Noordzee te zitten, misschien op de huid van bepaalde vissoorten. Maar daar weten we nog te weinig van, omdat daar geen onderzoek naar wordt gedaan”, aldus Leopold.

    De onderzoekers zullen hun bevindingen eind dit jaar rapporteren aan het ministerie van LNV.


    Verschenen in het Friesch Dagblad van 27 november 2021

  • Na driekwart eeuw is dwangarbeider Katja geïdentificeerd. ‘Een nichtje barstte in huilen uit aan de telefoon’

    Sinds de Tweede Wereldoorlog stond een verkeerde naam vermeld op het grafmonument van een Oekraïense dwangarbeider — de 21-jarige Katja, in 1945 overleden in Leeuwarden en begraven op het Sovjet Ereveld in Leusden. Dat wordt nu rechtgezet.

    Friesch Dagblad ★ 17 september 2021

    Katerina Sokolova, zo staat er in cyrillische letters te lezen op een grafsteen van het Sovjet Ereveld in Leusden. Maar de naam van de hier begraven vrouw blijkt niet te kloppen, zo hebben vrijwilligers ontdekt. Deze week werd vastgesteld dat het gaat om Jekaterina Karpovna Tsokalo, een Oekraïense vrouw die enkele maanden na de bevrijding overleed in een ziekenhuis in Leeuwarden, slechts 21 jaar oud.

    Op het ereveld liggen 865 oorlogsslachtoffers uit de voormalige Sovjet-Unie begraven. Verreweg de meesten waren soldaten en krijgsgevangenen, maar er liggen ook tientallen dwangarbeiders begraven. Een van die dwangarbeiders was deze Jekaterina Tsokalo.

    „Het is soms lastig om vast te stellen wat deze personen allemaal hebben meegemaakt”, zegt directeur Remco Reiding van de Stichting Sovjet Ereveld, die de begraafplaats in stand houdt maar ook onderzoek doet naar het lot van de hier begraven personen. Reiding is zelf al meer dan twintig jaar bezig met onderzoek.

    „Een slachtoffer dat hier ligt begraven moet kunnen corresponderen met een slachtoffer die bijvoorbeeld in Rusland of Oekraïne wordt vermist. Soms blijkt dan dat een naam of achternaam niet klopt, zoals bij deze vrouw, en moeten we opnieuw op zoek naar een match.”

    Ostarbeiter

    Die match werd door ervaren vrijwilligers gevonden in de online databank van Arolsen Archives. Dit archief in het Duitse Bad Arolsen bewaart gegevens over slachtoffers van Nazi-Duitsland en is de afgelopen jaren in grote mate gedigitaliseerd.

    Uit die gegevens bleek dat Jekaterina afkomstig was uit Dibrivka, in de buurt van Kiev. Na de Duitse inval in de Sovjet-Unie werd ze als dwangarbeider tewerkgesteld in de Duitse oorlogsindustrie. Net als vele duizenden Ostarbeiter verrichtte ze zwaar werk in de Kruppfabriek in Rheinhausen.

    Vermoedelijk belandde ze daarna in Limburg, waar ook veel dwangarbeiders uit de Sovjet-Unie werden ingezet. „Toen de geallieerden oprukten moesten ze bijvoorbeeld tankgrachten graven”, vertelt Reiding. Veel meisjes – in Roermond meer dan tweehonderd – werden slachtoffer van razzia’s.

    Een handjevol kwam met een evacuatietransport in Leeuwarden terecht, en maakte hier de bevrijding mee. Maar door de erbarmelijke werkomstandigheden tijdens de dwangarbeid bleek Jekaterina longtuberculose te hebben opgelopen.

    Enkele maanden verbleef ze in het Sint Bonifatius Ziekenhuis in Leeuwarden, waar ze uiteindelijk op 23 september 1945 overleed. In het overlijdensregister van Leeuwarden staat ze vermeld als Catharina Zokalow, zonder beroep. Aanvankelijk werd ze begraven in Huizum, maar in mei 1948 kreeg ze een laatste rustplaats op het Sovjet Ereveld in Leusden.

    Katja

    Toen Sietse Altena uit Zoeterwoude woensdag het nieuws over de achterhaalde identiteit van de Oekraïense vrouw las op de NOS-website, viel hem een verhaal van zijn moeder over een zekere Katja in herinnering. Zijn in 2009 overleden moeder Anny had als verpleegster in het Sint Bonifatius Ziekenhuis gewerkt, tijdens en na de oorlog.

    „Ze kon hilarische verhalen vertellen over hoe een club jonge meiden onder idiote omstandigheden toch het hoofd wist te bieden aan van alles”, vertelt de 67-jarige Fries om utens aan de telefoon. „Maar naarmate haar leeftijd vorderde, des te meer kwamen juist de zwaardere verhalen over oorlogsleed naar voren.”

    Zo heeft ze meer dan eens verteld over een jonge Oost-Europese vrouw die ze in de slotfase van de oorlog en na de bevrijding in het ziekenhuis verzorgde. Deze Katja – een vleivorm van de naam Jekaterina – had veel ellende meegemaakt tijdens omzwervingen in oorlogstijd. Ze overleed moederziel alleen in het ziekenhuis. „Mijn moeder vertelde dat ze haar best heeft gedaan om haar zo respectvol mogelijk af te leggen. Zo heeft ze haar de laatste eer kunnen bewijzen.”

    Nichtje

    In Oekraïne hebben lokale contacten van Reiding de familieleden van de vrouw opgespoord. „Een nichtje barstte in huilen uit aan de telefoon. Ze heeft haar tante nooit gekend, maar ze kende het verhaal van een vermist familielid. Ze hadden jarenlang naar haar gezocht. Een zus van Jekaterina bleek ook dwangarbeider te zijn geweest, maar zij werd in Duitsland ergens anders tewerkgesteld. Ze zijn elkaar daar kwijtgeraakt. Haar zus Maria is wel thuisgekomen, maar Jekaterina niet.”

    De grafsteen op het Sovjet Ereveld zal worden vervangen door eentje met de juiste, volledige naam van de vrouw.


    Verschenen in het Friesch Dagblad van 17 september 2021

  • Met een kitspuit komt het zeegras weer tot leven op het Wad: in drie jaar tijd groeien er bij Griend al zo’n 200.000 plantjes

    Na jaren van experimenteren weten onderzoekers nu hoe zeegras goed kan gedijen in het Waddengebied. Verspreid over 275 hectare ten oosten van Griend groeien er nu zo’n 200.000 plantjes. Dat is goed nieuws voor de biodiversiteit én een kans voor CO2-opslag, zegt zeegrasexpert Laura Govers.

    Friesch Dagblad ★ 4 september 2021

    Het is vanaf de zuidkant van Griend een paar kilometer wadlopen om bij de juiste zandplaat te komen, maar Laura Govers kent het gebied als haar broekzak. Door de open vlakte leidt de mariene ecoloog van de Rijksuniversiteit Groningen en het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) een select gezelschap van betrokken natuurbeschermers en journalisten naar het eerste grote zeegrasveld dat tot leven is gebracht in de Waddenzee.

    In de verte ligt de Harlinger klipper Ambulant voor anker, waarmee Govers en haar onderzoeksteam een paar keer per jaar op de Grienderwaard verblijven. Hoe dichter we in de buurt komen van een proefvlak waar vorig jaar zaad is geplant, hoe meer plukjes zeegras her en der opduiken in het natte zand. Dat is volgens Govers het grote succes van het zeegrasherstelproject dat hier onder auspiciën van Natuurmonumenten in 2018 begon: „Het zeegras breidt zich nu ook buiten onze ingezaaide proefvlakken uit over een groot oppervlak.”

    In drie jaar tijd heeft het zeegras zich aan de oostkant van Griend uitgebreid van 30 hectare naar circa 275 hectare. Dat is weliswaar niet één groot groen grasveld, maar toch nog zo’n 200.000 losse planten die zich verspreid hebben over de wadplaat. „We zien dit laatste jaar dat het zeegras niet alleen verder verspreid is geraakt, maar ook dat de dichtheid is toegenomen”, zegt Govers. „En die dichte begroeiing heb je nodig om de biodiversiteit en een rijk voedselweb te stimuleren.”

    Daar is voorlopig alleen sprake van op de ingezaaide proefvlakken, waar het zeegras dicht op elkaar groeit en soms omgeven is door rode algen. „Die algen worden opgegeten door wadslakjes. Die komen hier massaal op af”, zegt promovendus Max Gräfnings van de Rijksuniversiteit Groningen, die voor zijn onderzoek meet hoe zeegrasherstel het wadleven verrijkt. Af en toe schiet er een garnaaltje weg tussen de planten. „Die vinden hier bescherming, want op het open wad zijn ze een makkelijke prooi voor vogels.” Gräfnings schat dat in het dichte zeegras anderhalf keer zoveel kleine grazende beestjes zitten dan daarbuiten.

    Matrasvulling

    Zeegras, dat eigenlijk geen gras is maar een waterplant, groeide van oudsher vooral in het westelijke deel van de Waddenzee. Begin vorige eeuw werd het zeegras bij Griend gemaaid door Terschellingers, die het voor een paar centen verkochten. Het materiaal werd gebruikt in de dijkenbouw, als matrasvulling en plafondisolatie. Maar het zeegras verdween in de jaren dertig door de komst van de Afsluitdijk en de uitbraak van de zogeheten wierziekte.

    Het herstellen van zeegrasvelden speelt een grote rol in de ecologische beheerplannen voor het Waddengebied. De aangroei van zeegras moet uiteindelijk ook het leefgebied aantrekkelijker maken voor de rotgans en de smient. Sinds de jaren tachtig experimenteren onderzoekers en natuurbeschermers met het aanplanten van zeegras in het natuurgebied, maar dat is lange tijd zonder succes gebleven. Niet elke plek in de Waddenzee is ervoor geschikt en niet elke methode helpt even goed.

    De kennis over zeegrasherstel staat nog in de kinderschoenen, vertelt kustecoloog Tjisse van der Heide van de Rijksuniversiteit Groningen en het NIOZ, die ook betrokken is bij het project. „Op een akker of in de bosbouw moet je bijvoorbeeld plantjes vrij ver uit elkaar zetten om te zorgen dat ze genoeg groeien. Maar hier ontdekten we dat de spelregels juist andersom zijn. De opbrengst is groter als je planten dicht bij elkaar zaait. Dat is typisch aan het mariene ecosysteem, mosselen zitten ook altijd aan elkaar vast in een bank.”

    Er zijn proeven gedaan met zeegras op het Balgzand tussen Den Helder en Wieringen, op het Uithuizerwad in Groningen, bij Schiermonnikoog en Vlieland. Govers: „Volgens statistische modellen van Rijkswaterstaat waren die plekken veel kansrijker, maar daar ontdekten we dat plekken waar veel wadpieren of zeeduizendpoten leven niet geschikt zijn. Zaadjes verdwijnen dan te diep in de bodem of worden opgegeten.”

    Ruppia

    De wadplaat bij Griend heeft Govers min of meer bij toeval gekozen. Het viel Govers op dat ruppia, oftewel smientgras, hier ook goed gedijt, en zo kwam ze op het idee om er met zeegras te experimenteren. Dat bleek een schot in de roos. Het zand dat in de afgelopen jaren werd opgespoten om Griend te behouden, heeft ten oosten van het onbewoonde eiland een stabiele, vlakke wadplaat doen ontstaan waar het zeegras wel wil groeien.

    Tegelijkertijd vond Govers de beste methode uit om het zeegras te zaaien – met een kitspuit. „De zaadjes die we van het Duitse wad ophalen, vermengen we met wadbodem en injecteren we met een kitspuit op drie à vier centimeter diepte in de bodem.” De kitspuitmethode is wel arbeidsintensief: per hectare zijn er zo’n 250 manuren mee gemoeid.

    Onderweg treffen we een meerjarige zeegrasplant aan. Een zeldzaamheid, want het is vooral eenjarig groot zeegras dat op het wad groeit. „We hebben ons in de afgelopen tien jaar op groot zeegras gericht”, zegt Govers. „Groot zeegras investeert vooral in zaadvorming. Het moet zoveel mogelijk zaad produceren om volgend jaar weer op te komen. Maar klein zeegras is even belangrijk. Dat is het type zeegras dat zorgt voor CO2-opslag in de bodem.” Volgens wetenschappelijke studies zou een ondergedoken zeegrasveld zelfs 35 keer zo efficiënt CO2 kunnen opslaan als een regenwoud, omdat het kleine zeegras koolstof in de bodem opslaat.

    Het zal nog jaren duren voordat er op het wad groot en klein zeegras bij elkaar groeit, maar dat is wel het streven, zegt Van der Heide. „Op het Duitse wad zie je dat het een soort bultenlandschap vormt, waarbij in de laagtes het grote zeegras groeit en op de bulten het kleine zeegras. Dat is de ideale situatie.”

    10.000 hectare

    Volgend jaar wordt het beheer van de zeegrasvelden overgedragen van Natuurmonumenten aan Rijkswaterstaat. Die wordt verantwoordelijk voor het beleidsdoel van de overheid om in 2028 maar liefst 10.000 hectare zeegras in de Waddenzee te hebben gerealiseerd, dat voor twee derde uit klein zeegras en een derde uit groot zeegras moet bestaan.

    „Tienduizend hectare is een ongenuanceerde doelstelling die volledig uit de lucht gegrepen is”, vindt Van der Heide. „Dat heeft een ambtenaar ooit bedacht, maar dat is op de korte termijn volstrekt onmogelijk. Dat weet Rijkswaterstaat zelf ook wel. Als we in 2028 tussen de 1000 en 2000 hectare hebben, dan mag je heel blij zijn. Dit is een project van de lange adem, daar heb je visie voor twintig of dertig jaar voor nodig.”

    Er is op zijn minst nog een tweede plek in de Waddenzee nodig waar zeegras moet kunnen gedijen. Dat zou mogelijk het Balgzand of een plek in de buurt van Texel kunnen zijn, denkt Van der Heide. „We doen nu metingen in de monding van de oude Zuiderzee om te zien of de condities nog geschikt zijn om zeegras mogelijk te maken. Misschien is daar een gebied te vinden dat voldoende vlak is, nat blijft en beschut is. Dat zijn de drie aspecten die dit gebied bij Griend zo uniek maken.”


    Verschenen in het Friesch Dagblad van 4 september 2021

  • Makelaar Willem Donker uit Heerenveen bracht alle 1314 Duitse hunebedden in kaart

    Het begon met een doelloze autorit door Drenthe op een zondagochtend. Inmiddels heeft makelaar Willem Donker uit Heerenveen alle 1314 Duitse hunebedden opgezocht en in kaart gebracht, iets wat nog nooit eerder zo systematisch en volledig is gedaan. ,,In wezen is mijn verhaal een uit de hand gelopen hobby, nooit bedoeld om te publiceren.”

    Friesch Dagblad ★ 21 augustus 2021

    Ja, natuurlijk kent hij ook de steenkist van Rijs, de enige bekende grafheuvel uit de jonge steentijd op Fries grondgebied. In 1849 werd de steenkist bij toeval ontdekt door bosarbeiders op het landgoed van de familie Van Swinderen. De originele keistenen werden vermalen tot wegverharding en zijn er dus niet meer, maar de plek in het Rijsterbos is gemarkeerd met platte stenen.

    ,,Ik ben daar meerdere keren geweest”, zegt hunebedjager Willem Donker (59). ,,Kortgeleden nog met mijn vrouw, en daarna hebben we heerlijk gegeten bij restaurant Jans.”

    Het is een van de weinige keren dat hij met zijn vrouw een hunebed, of het restant daarvan, heeft bezocht, want Donker gaat er vrijwel altijd alleen op uit. Van de honderden Duitse hunebedden die hij in de afgelopen jaren heeft opgezocht, ligt zo’n 80 procent diep verscholen in de bossen. ,,Ik kan en wil niemand mee hebben. Ik moet soms toeren uithalen die mijn vrouw maar beter niet kan zien.”

    Eén keer stond hij oog in oog met een wolf. ,,Ik was niet bang, maar mijn eerste reactie was wegkijken. De wolf droop uiteindelijk af. Maar mijn vrouw zei op een gegeven moment, niet helemaal onterecht: ‘Als je op pad bent, stuur me dan elk uur even een appje waar je bent.’ Tenminste, als ik bereik heb, want dat heb je meestal niet in de bossen. Als je je enkel breekt, of door een wild dier wordt aangevallen, dan vinden ze je nooit. Ik heb 1314 hunebedden in Duitsland gevonden, maar ik ben maar vijf of zes keer iemand anders tegengekomen.”

    Een levenslange interesse

    Hij is inmiddels 26 jaar makelaar van naam en faam in Heerenveen, maar zijn interesse voor archeologie en prehistorie is heel wat ouder dan die voor onroerend goed. Een gastles van de bekende, maar later omstreden amateur-archeoloog Tjerk Vermaning op de lagere school in Donkerbroek was voor hem in 1970 – toen acht jaar oud – het vonkje. Op zijn zestiende zag hij de prehistorische stenencirkel Stonehenge op een vakantie in Engeland met twee neven.

    De belangstelling voor megalieten was gewekt, maar hij heeft nooit het idee gehad om archeologie te studeren. Het werd landmeetkunde. Zijn eerste baan was bij de landmeetkundige dienst van Rijkswaterstaat in Assen. ,,Ik zorgde er altijd voor dat ik met de meetploeg in de buurt van een hunebed ging lunchen.” De voortschrijdende automatisering deed de banen in de landmeetkunde opdrogen, en zo rolde Donker de makelaardij in.

    Hunebedden liet hij al die jaren links liggen, tot op een zondagochtend in 2010. ,,Ik ben toen doelloos met de auto naar Drenthe gereden, langs een hunebed, en dacht: ik ga alle hunebedden langs. Als makelaar heb ik altijd een camera in de auto.” In drie dagen had hij alle 54 hunebedden in Nederland op de foto gezet. ,,Maar ik wist helemaal niets over de theorieën rond hunebedden. Dus schafte ik literatuur aan en zocht contact met archeologen. Een van hen zei: weet je dat er over de grens in Duitsland ook een paar hunebedden liggen?”

    En dus ging Donker al snel bij Emmen de grens over. ,,Die hunebedden vond ik gemakkelijk, ik moest af en toe vragen waar een Großsteingrab lag.” Bij één hunebed stond op een bordje de afkorting SPR 861, die hem op het spoor bracht van de Duitse archeoloog Ernst Sprockhoff. Die heeft bijna een eeuw geleden alle toenmalig bekende hunebedden in Duitsland beschreven. Deze Sprockhoff werd mijn gids.”

    Donker kocht alle drie delen van diens Atlas der Megalithgräber Deutschlands bij antiquariaten. ,,Sprockhoff heeft 985 hunebedden in kaart gebracht, waarvan hij er zelf zo’n 750 heeft bezocht.”

    Teen van de reus

    Wie in Nederland hunebedden zegt, denkt aan Drenthe. Maar het vijftigtal hunebedden in deze provincie vormt slechts de teen van de reus die het gebied van de Trechterbekercultuur is, de eerste landbouwers in onze regio. Deze prehistorische cultuur heeft in een vrij korte periode, tussen 3400 en 3200 voor Christus, hunebedden gebouwd in een gebied van Noord-Nederland tot diep in Polen dat tijdens de laatste IJstijd met een dikke laag landijs was bedekt.

    De grote keistenen die door het ijs vanuit Scandinavië hiernaartoe waren meegevoerd en na de IJstijd bleven liggen, werden het bouwmateriaal voor de grafmonumenten van het Trechterbekervolk. Ook ten zuiden van de ijsgrens komen hunebedden voor, maar die zijn meer verwant aan de dolmens in België en Frankrijk. ,,Je ziet overal dezelfde constructie van twee draagstenen in de grond en een deksteen eroverheen”, vertelt Donker. De grafkelder van een hunebed werd gebruikt om de overblijfselen van meerdere personen in te begraven. ,,Er is uitgerekend dat ongeveer tien procent van de toenmalige bevolking is bijgezet in een hunebed. Dat zal de elite zijn geweest.”

    Levendige handel

    Oorspronkelijk moeten er in dit deel van Europa vele duizenden hunebedden hebben gestaan. ,,Veel hunebedden in Duitsland zijn zo rond 1880 gesloopt. Tot dan toe waren er alleen zandpaden, die moesten worden verhard met stenen. En wat was er makkelijker dan grote bij elkaar liggende stenen te verzamelen en te verpulveren? Er was een levendige handel van steenslagers. In Nederland kwam dat bijna niet voor, maar in Duitsland was het verschrikkelijk. Daar zijn bij benadering zo’n 2500 van de 4000 hunebedden verdwenen. En wat ervan over is, dat zijn vaak nog maar restanten van twee of drie stenen.”

    Al heeft Nedersaksen met de Straße der Megalithkultur een toeristische fietsroute langs 33 hunebedden aangelegd, het Duitse bewustzijn rond dit culturele erfgoed is verder niet bepaald groot, stelt Donker. ,,In Nederland is er veel aan restauratie en educatie gedaan, maar Duitsers bekommeren zich nauwelijks om de hunebedden. Eentje meer of minder maakt hen niet uit. Een Duitse boer weet wel dat er stenen op zijn land liggen, maar meestal niet dat het een eeuwenoud hunebed is geweest. Ze hebben totaal geen idee wat ze hebben, maar ik heb ze allemaal gevonden.”

    Van de 1314 Duitse hunebedden schat Donker dat er zo’n vijftig of zestig herkenbaar zijn als hunebed. Soms netjes gerestaureerd en voorzien van informatiepanelen. ,,Vooral in de deelstaat Sachsen-Anhalt zijn ze daar heel actief mee.” Van honderden andere hunebedden is er geen enkele structuur meer over. ,,Soms kan ik dan nog wel een aanzet van een heuveltje zien waarop die hunebedden altijd gebouwd werden.”

    April de beste maand

    Donker begon eerst de hunebedden in het gebied tot aan de Elbe, de zogeheten Westgroep, in kaart te brengen. ,,Daar heb ik vijf jaar over gedaan. Dat lijkt wellicht lang, want vanuit Heerenveen ben je in drie uur in Hamburg met de auto. Eerst ging ik in de zomervakantie op pad, met een tentje en een luchtbed. Maar ik merkte toen dat het bosterrein dan al te veel begroeid is met bladeren, struiken en varens om hunebedden te kunnen vinden. En in bouwland groeit er dan maïs van twee meter hoog.”

    ,,Al doende kwam ik erachter dat april de beste maand is. Dan is er nog geen blad aan de bomen en zijn zandpaden al goed te bereiken. Dan ga ik voor vijf of zes dagen op pad, boek van tevoren hotels in de buurt en stippel een hele route uit. Met een beetje mazzel vind ik er tien of vijftien op een dag. Dan ben ik een weekje thuis en verwerk ik alle vondsten, verkoop ik wat huizen tussendoor en ga ik weer een week op pad.”

    De wintermaanden gebruikte hij om de hunebedlocaties op de priegelige oude kaartjes van Sprockhoff terug te vinden in Google Earth. ,,De topografie van bossen is na negentig jaar flink veranderd. Dat was best lastig, maar ik kreeg er met mijn landmeetkundige achtergrond steeds meer handigheid in. De ervaring leerde me dat ik in een straal van 400 meter een hunebed kon terugvinden.”

    Zeven hunebedden trof Donker aan op een militair oefenterrein in de buurt van Kiel. Daarvoor moest hij wel eerst toestemming vragen van het Duitse ministerie van Defensie, vertelt hij lachend. ,,Op een maandagochtend kreeg ik precies een uur de tijd om ze op de foto te zetten. Ik werd met de commandant over het terrein rondgereden in een Landrover. Het moest allemaal heel snel, want daarna begonnen de schietoefeningen.”

    Tien op een kluitje

    In de afgelopen vijf jaar ging hij steeds langer en vaker van huis om de hunebedden aan de overkant van de Elbe te documenteren. ,,Dat ging steeds vlotter. In Sleeswijk-Holstein en Brandenburg liggen soms complexen van tien op een kluitje. In het Emsland heb je dat niet.” Vorig jaar april had Donker zijn speurtochten willen afronden, maar dat werd vanwege de coronatijd een jaar later.

    Bij het allerlaatste Duitse hunebed dat hij afgelopen voorjaar bezocht, op een onbewoond eilandje in de buurt van Ellershagen, maakte hij de enige selfie (met rubberbootje, zie foto) van al zijn expedities. En hij stuurde een appje naar Harrie Wolters, de directeur van het Hunebedcentrum in Borger: ‘Ik ben klaar.’

    Wolters had de unieke waarde ontdekt van Donkers collectie, die inmiddels een semiwetenschappelijk karakter had gekregen. Die wou hij maar wat graag veiligstellen voor de toekomst. ,,In wezen is mijn verhaal een uit de hand gelopen hobby, nooit bedoeld om te publiceren. Maar het is wel een gigantische hoeveelheid data waar iemand anders iets mee kan.”

    Bij het Hunebedcentrum worden Donkers data in een zoekportaal verwerkt. Momenteel zijn bijna 1250 van de 1314 Duitse hunebedden ingevoerd. De website is naar verwachting in november helemaal klaar.

    Maar is Donker dat ook? Hij zinspeelt al op een volgende speurtocht in Polen, want het gebied van de Trechterbekercultuur loopt eigenlijk helemaal tot aan Gdansk. ,,Sprockhoff heeft in zijn inventarisatie ook 21 hunebedden meegenomen die tegenwoordig in Polen liggen, maar ik heb daar met Google Earth in totaal zeventig locaties gevonden. Met een stukje historisch besef zou ik die er ook bij moeten doen. Op zo’n trip wil ik dan wel iemand meenemen, al was het voor de veiligheid. En mijn Pools is, zacht gezegd, niet zo best.”


    Verschenen in het Friesch Dagblad van 21 augustus 2021

  • Hoe Urk groepsimmuniteit opbouwde: ‘In een hechte gemeenschap is het gewoon heel lastig om je aan de coronaregels te houden’

    Urk stond tijdens de coronacrisis meer dan eens in de landelijke belangstelling. Het vissersdorp heeft door massale corona-infecties een hoge groepsimmuniteit bereikt, maar heeft tegelijkertijd de laagste vaccinatiegraad van Nederland. „Straks moet je elk jaar een vaccin, daar zit je niet op te wachten.”

    Friesch Dagblad ★ 23 juli 2021

    Twee weken geleden ging er een grote ‘vrijheidsmars’ door de straten van Urk. „Dat was een hele optocht met mensen die overal uit het land vandaan kwamen”, zegt Jelle Bakker, redacteur van het plaatselijke nieuwsblad Het Urkerland. Ineens was het vissersdorp omgedoopt tot epicentrum van het coronaprotest, waar ook de bekende coronacriticus Willem Engel in meeliep. „Er zat hooguit een handjevol Urkers bij.”

    Landelijke belangstelling

    Urk heeft tijdens de coronacrisis meer dan eens in de landelijke belangstelling gestaan. Een groot deel van de hechte christelijke gemeenschap zou zich weinig van de coronaregels aantrekken. Sommige kerken bleven doorgaan met samenkomsten voor honderden bezoekers. Journalisten die van zo’n samenkomst bij de Sionkerk verslag deden, werden door enkele kerkgangers belaagd.

    Geregeld was er ook onrust onder de jongeren. Bij rellen tegen de avondklok werd in januari zelfs een GGD-teststraat op het havenplein in de brand gestoken. De verantwoordelijken zijn inmiddels veroordeeld.

    Eensgezind

    Van buitenaf gezien leek het dorp eensgezind in het verzet tegen de van bovenaf opgelegde coronamaatregelen. Maar dat is allerminst hoe het er op Urk werkelijk aan toe ging. Het verschilde onderling nogal hoe er met corona werd omgegaan, zoals ook het kerkelijk landschap op Urk sterk divers is.

    „Toen corona kwam, zijn alle raderen gaan draaien in onze gemeente”, vertelt Jannie de Boer, die actief is voor jeugdraad van de christelijke gereformeerde Maranathakerk. „We zijn toen al gauw begonnen met online kerkdiensten en hebben er alles aan gedaan om online actief te blijven en ook het contact te houden met jongeren. We hebben bijvoorbeeld een keer in een kerkgebouw een jeugdzondag georganiseerd, maar de gezamenlijke maaltijd kon dan weer niet vanwege de coronaregels. Wat de overheid zegt, hebben wij opgevolgd.”

    Dat ging anders in de ‘zwaardere’ kringen van de gereformeerde gemeenten, waar coronaregels werden genegeerd en de kerken vol zaten. „Dáár kwamen de landelijke media op af, en dan wordt alles wat Urk is over één kam geschoren.”

    Op de koffie

    Het negeren van de regels had ook nog andere gevolgen: het aantal besmettingen op Urk nam zienderogen toe en bereikte een piek in november vorig jaar. Het leidde tot tientallen ziekenhuisopnames en negentien officiële coronadoden, onder wie de breed gerespecteerde huisarts en SGP-voorman Peter Hildering.

    Hoe groot die corona-uitbraak is geweest, blijkt achteraf uit een onderzoek dat bloedbank Sanquin in april op Urk deed. Toen werden bij zo’n 38 procent van de Urkers afweerstoffen tegen corona gevonden. Het percentage door natuurlijke infectie verkregen immuniteit was op dat moment bijna twee keer zo hoog als landelijk gemiddelde.

    „Wij hebben in onze familie ook veel corona gehad”, zegt De Boer. „In de beginperiode gingen wij niet op de koffie en hielden we ons aan de coronaregels. Maar in een hechte gemeenschap als Urk is dat gewoon heel lastig, omdat je allemaal bij elkaar woont. Mijn moeder woont een paar straten verder, daar ga ik bijna elke dag op de koffie. Mijn schoonfamilie zijn allemaal vissers. De mannen zijn doordeweeks weg, dus wij kwamen in het weekend evengoed nog bij elkaar. Ik denk dat daardoor die groepsimmuniteit is gekomen.”

    Deltavariant is een ‘derde prik’ voor gevaccineerden

    Dat de deltavariant van het coronavirus nu rondgaat, is eigenlijk een groot voordeel voor gevaccineerden. Dat stelt infectioloog en hoogleraar immuunpathologie Jeroen van der Hilst van de Universiteit van Hasselt in België.

    „Mensen die gevaccineerd zijn en in contact komen met de deltavariant worden meestal niet ziek, of hebben alleen milde klachten. Maar ze krijgen daarmee wel een geweldige versterking van hun immuniteit.”

    Volgens Van der Hilst werkt de deltavariant als een ‘boostershot’, oftewel een derde prik. Dat merkt hij onder meer bij het personeel van de twee Belgische ziekenhuizen waar hij als infectioloog werkt. „Bij personeel dat in contact is geweest met besmette patiënten geven PCR-tests meestal een negatief resultaat, maar hun afweerstoffen blijken wel enorm omhoog te gaan.”

    Veel coronamaatregelen, zoals die bijvoorbeeld op basisscholen gelden, hebben als doel te voorkomen dat besmettingen overslaan van jongeren op ouderen. Maar dat beleid is nog gebaseerd op een vorige fase van de pandemie, stelt Van der Hilst. „We hebben de afgelopen weken met de versoepelingen in Nederland een soort experiment gezien waarin jongeren massaal zijn besmet in het uitgaansleven, en je ziet dat daar heel weinig van doorgegeven wordt aan oudere leeftijdsgroepen.”

    Terwijl overal in Nederland de deltavariant de kop opsteekt, zijn er op Urk amper positieve gevallen getest. Dat komt volgens Van der Hilst omdat een groot deel van de Urker jongeren al eerder met corona geïnfecteerd is geweest en natuurlijke immuniteit heeft opgebouwd.

    Onderzoek van bloedbank Sanquin op Urk wees in april uit dat 38 procent van de donors groepsimmuniteit had opgebouwd na een corona-infectie. Dat percentage was destijds bijna twee keer zo hoog als het landelijke gemiddelde.

    Van der Hilst ziet de nagenoeg platte besmettingscurve die Urk momenteel heeft als voorbode voor de rest van Nederland. „Als het virus nu rondgaat bij jongeren hebben we waarschijnlijk een rustig najaar. Uiteindelijk zal de groepsimmuniteit naar de 100 procent gaan. Wie zich niet laat vaccineren, zal vroeger of later een keer een natuurlijke infectie krijgen.”

    Het RIVM adviseert aan mensen die corona hebben doorgemaakt om voor een betere bescherming tenminste nog één Pfizer-prik te halen. Maar natuurlijke infectie beschermt op zichzelf al minstens zo goed tegen ernstige ziekte en ziekenhuisopname als twee Pfizer-prikken, stelt Van der Hilst.

    „Met een vaccin maak je afweerstoffen en afweercellen tegen één specifiek stukje van het virus, het spike-eiwit. Als je een natuurlijke infectie doormaakt, maak je een afweerreactie tegen een heleboel stukken van dat virus. Allicht dat zo’n natuurlijke infectie beter beschermt. Dat is eigenlijk iets wat we allang weten van andere virale infectieziekten, en we zien het nu ook bevestigd worden in onderzoeken.”

    Bereidwilligheid

    Die groepsimmuniteit zou ook de verklaring kunnen zijn waarom de deltavariant Urk lijkt over te slaan, terwijl de rest van Nederland sinds enkele weken met torenhoge besmettingscijfers onder jongeren zit. Maar dat betwijfelt Madjid Hosseinia, arts infectieziektenbestrijding van GGD Flevoland. „De bereidwilligheid voor testen op Urk is heel laag, en daarom hebben wij geen compleet beeld van de daadwerkelijke circulatie van corona.”

    Hier wordt naar rato van de bevolking veel minder getest dan elders in Nederland, maar ook het aandeel positief getesten is hier veel lager dan gemiddeld. Tegelijkertijd is de vaccinatiegraad van Urk het laagst van Nederland, in alle leeftijdscategorieën. Sinds begin juni is er een ggd-priklocatie ingericht in sporthal De Vlechttuinen, waar tot nu toe zo’n 3500 Urkers een prik hebben gehaald. Omgerekend amper 20 procent van de bevolking.

    Huisarts op tweede plaats

    ,,Typerend voor Urk is dat in de eerste plaats de familie en de sociale omgeving bepalend zijn voor de keuze om te vaccineren of niet, en op de tweede plaats pas de huisarts of ggd”, zegt Hosseinia. „Het is niet voor niets dat we hier proberen de drempel laag te houden en zo dicht mogelijk bij de bevolking vaccinatie aan te bieden.”

    Begin deze maand konden Urker vissers zich zonder afspraak laten vaccineren en vanaf volgende week kunnen alle bewoners dat doen in De Vlechttuinen. De huisartsen laten binnenkort huis-aan-huis informatiebrieven verspreiden over vaccineren, om feiten van fabels te scheiden.

    Geen ruzie

    Maar of dat zal aanslaan is maar de vraag. „In mijn gezin is bijna iedereen gevaccineerd, maar mijn schoonfamilie niet”, zegt De Boer. „Maar het is niet zo dat er ruzies van zijn gekomen. Als je samenkomt, dan heb je het er natuurlijk over, maar we laten iedereen in zijn waarde.”

    Een vaak gehoord argument is dat het vaccin er zo snel doorheen is geduwd, dat het waarschijnlijk niet zal helpen tegen nieuwe varianten. „Straks moet je elk jaar een vaccin, daar zit je niet op te wachten.”

    Apocalyptische tijd

    Sommige Urkers zien corona als deel van een apocalyptische eindtijd, waarin de elite een groot complot beraamt tegen de christenen. Die elite wil de winkels open op zondag, beperkt de visrechten van de Urkers, en wil nu ook dat iedereen gevaccineerd wordt.

    Bakker zit hier als redacteur bij Het Urkerland tussen twee vuren in. „We proberen ons aan de feiten te houden, en dan wordt het ons bijvoorbeeld kwalijk genomen dat we de officiële besmettingscijfers vermelden. Maar er zijn ook mensen die heel boos worden als we ook maar één millimeter ruimte geven aan coronaontkenners. Soms krijgen we heftige brieven van complotdenkers, of opzeggingen van lezers. We proberen als krant objectief te blijven, en dat is al moeilijk genoeg.”


    Verschenen in het Friesch Dagblad van 23 juli 2021, als nieuwsverhaal over de deltavariant (pdf) en achtergrondreportage (pdf).