• Hoe Oera Linda een internetfabel schiep

    Een Australische vrouwensekte zou zich volledig wijden aan een leven volgens het Oera Linda-boek. Het blijkt een al even schimmig misverstand als het boek zelf.

    Leeuwarder Courant ★ 28 december 2018

    Ze dragen korte witte jurkjes, onthouden zich van vlees, seks en drank, en maken dagelijks zes uur lang kniebuigingen voor de godin Freya. Ergens in Australië zouden de Daughters of Frya, een sekte van jonge vrouwen, zich volledig wijden aan de wetten van het Oera Linda-boek. Zo luidt tenminste het verhaal dat onlangs nog werd herhaald door Bert Looper van Tresoar. ,,It makket net út oft it winter is of simmer, dy wite pakjes moatte se altyd oan’’, zo legde hij uit in een televisiecollege op Omrop Fryslân.

    Looper ontleende het verhaal aan hoogleraar Friese taal- en letterkunde Goffe Jensma, die voor het eerst melding maakte van het bestaan van zo’n vrouwensekte in zijn studies over het Oera Linda-boek. Dit mysterieuze manuscript werd lange tijd aangezien voor een authentieke overlevering van een prehistorisch Fries Atlantis, waar priesteressen een belangrijke rol vervulden. In zijn dissertatie De gemaskerde god (2004) toonde Jensma minutieus aan dat het boek een negentiende-eeuwse vervalsing is, die hij toeschrijft aan predikant en dichter François Haverschmidt (1835-1894), ook bekend onder het pseudoniem Piet Paaltjens.

    Het manuscript wordt nog steeds door enkelingen in esoterische kringen voor waar aangenomen. Er zou zelfs in de buurt van Sydney een succesvolle Oera Linda-sekte bestaan volgens Jensma, die zich baseerde op een inmiddels verdwenen website. Ook zou het mogelijk de voortzetting zijn van een jeugdbeweging uit de naziperiode, maar dat lijkt toch vooral de fantasie te zijn van Tony Steele, een 54-jarige Britse auteur van boeken over hekserij. Op esoterische en extreemrechtse webfora probeert hij al jarenlang volgelingen te werven. Daar is hij echter al meer dan eens ontmaskerd als het brein achter websites van zelfverzonnen sektes onder telkens weer andere namen.

    De afbeeldingen van de in witte jurkjes gestoken Daughters of Frya bleken in werkelijkheid van een vrouwentennisteam te zijn. Ook werd er gespeculeerd over Steeles motieven om maagdelijke jonge vrouwen te rekruteren voor zijn ‘trainingsgroep’ van priesteressen.

    De website van de Australische Daughters of Frya verdween in 2005 van internet, maar dook daarna weer op als een leefgemeenschap op Texel, het eiland dat een grote rol speelt in het Oera Linda-boek. Ook de Texelse Daughters of Frya werden al snel ontraadseld, waarna Steele andermaal nieuwe sektes introduceerde, zoals de Famna en sinds enkele jaren de Order of Frisian Priestesses. Op de huidige website staan behalve teksten uit het Oera Linda-boek ook verwijzingen naar occulte ideeën van nazi-ideologen Karl Maria Wiligut en Herman Wirth, die destijds in de echtheid van het boek geloofden.

    Steele meldt in een e-mail aan deze krant wereldwijd over 105 Friese priesteressen te beschikken, maar wil er verder niet veel over kwijt. Ook over de eerdere Daughters of Frya zwijgt hij liever. ,,Anders zou ik hun vertrouwen beschamen en zaken oprakelen die beter in het verleden kunnen blijven.’’

    ,,Steele is een tamelijk marginaal figuur in de Britse heidense scene’’, zegt religiewetenschapper Ethan Doyle White van University College London. Al in de jaren tachtig verspreidde Steele onder de naam Ordo Anno Mundi ideeën die zijn geïnspireerd door het Oera Linda-boek. Dat hoeft niet per se bedrog te zijn, zegt de religiewetenschapper. ,,Er is nog steeds een minderheid die zijn eigen geloof beschouwt als echt overblijfsel uit de voorchristelijke periode, ondanks de vele bewijzen van het tegendeel.’’

    In en rond zijn woonplaats Birmingham organiseert Steele met regelmaat kleine samenkomsten met een handjevol geestverwanten, soms met een heidense priesteres rond een kampvuur, en soms in een pub. Het is onwaarschijnlijk dat hij een grote internationale sekte van priesteressen leidt, meent Doyle White. ,,Het zal best kunnen dat hij via zijn boeken en websites sympathisanten heeft aangetrokken. Maar het is niet ongewoon dat esoterische groepen zich groter doen lijken dan ze eigenlijk zijn, om buitenstaanders te imponeren.’’

    Steele runt ook een aantal bizarre nationalistische websites. Zo ijvert de Frisian Alliance voor een onafhankelijk heidens Friesland, waarin het rechterlijke ambt wordt bekleed door de Orde van Friese priesteres- sen. Hetzelfde ideaalbeeld streeft hij voor Engeland na met een ‘soeverein Mercia’. Inmiddels staat er geen vrouwentennisteam model, maar plaatjes van het in witte rokjes gestoken dameselftal van het Udense FC De Rakt.

    ,,It is bêst plausibel dat al dy inisjativen fan ien man komme’’, reageert hoogleraar Jensma, maar toch wil hij het tegendeel niet uitsluiten. ,,Fan Herman Wirth bygelyks is bekend dat er ek feesten organisearre mei jonge famkes mei blond hier en blauwe eagen.’’

    Op het midwinterfeest, een week geleden, had Steele een zelfvoorzienende Oera Linda-commune willen stichten in de heuvels van Malvern Hills, maar door een gebrek aan aanmeldingen moest hij daar toch maar van afzien. ,,Ik heb besloten te wachten totdat we meer vrijwilligers hebben.’’

  • Genderstudies om de tuin geleid met nepartikelen

    Heteroseksuele mannen zijn misschien wel minder ‘homofoob en anti-feministisch’ als ze anale speeltjes gebruiken. Plekken om je hond uit te laten zouden een ‘verkrachtingscultuur’ voor viervoeters in stand houden. Wetenschappelijke artikelen met die strekking werden gepubliceerd door bloedserieuze wetenschappelijke tijdschriften, die nu in verlegenheid zijn gebracht na de onthulling dat het onzinstudies betreffen.

    De Volkskrant ★ 5 oktober 2018

    Drie Amerikaanse wetenschappers schreven de nepartikelen om bloot te leggen hoe het publicatiesysteem werkt in sociaal-wetenschappelijke vakgebieden als genderstudies, queer theory en postkolonialisme. Die vakgebieden doen onderzoek naar de onderdrukking en uitsluiting van groepen op basis van geslacht, huidskleur of identiteit en kunnen een activistische inslag hebben. Volgens het drietal krijgt hierdoor ideologisch bevooroordeeld en wetenschappelijk ongefundeerd onderzoek voorrang in de vaktijdschriften.

    Zo werd het academisch tijdschrift Affilia: Journal of Women and Social Work flink in de maling genomen door de drie auteurs, die delen uit Adolf Hitlers Mein Kampf herschreven in ‘intersectioneel feministisch’ jargon. Het artikel kwam positief door de kwaliteitsbeoordeling van de redacteuren, die bovendien vonden dat het een belangrijke discussie onder maatschappelijk werkers en onderzoekers kan genereren.

    Filosoof Peter Boghossian, wiskundige James A. Lindsay en mediëvist Helen Pluckrose dienden in tien maanden tijd twintig onzinstudies onder valse namen in bij goed aangeschreven vaktijdschriften. Daarvan wisten zeven artikelen de kwaliteitsbeoordeling te doorstaan. Vier daarvan zijn inmiddels online gepubliceerd – en deels alweer teruggetrokken – door de titels Sexuality & Culture, Sex Roles, Fat Studies en Gender, Place & Culture.

    ‘Dit is geen kennisproductie, maar drogredenering’, zeggen zij in een uitgebreid verslag op de opiniesite Areo Magazine. ‘Het grootste verschil tussen ons en de wetenschap die we hebben nagebootst, is dat wij weten dat wij dingen hebben verzonnen.’

    Hondenverkrachting in stadspark

    Het drietal moest het project vroegtijdig afbreken nadat een paper over hondenverkrachtingen in stadsparken voor zoveel commotie op sociale media zorgde, dat de tijdschriftredactie de identiteit van de auteur ging natrekken. ‘We gaven het hele project bloot omdat we open kaart wilden spelen over onze misleiding’, zegt Helen Pluckrose tegen de Volkskrant. ‘En inmiddels waren we ook ontdekt door de Wall Street Journal.’ Die krant bracht het nieuws dinsdag naar buiten.

    Boghossian en Lindsay zorgden eerder voor discussie in 2017 toen zij met dezelfde motieven een hoaxartikel wisten te publiceren in Cogent Social Sciences. Zij kregen bijval, maar werden ook fel bekritiseerd. Eén enkele absurde paper in een marginaal tijdschrift zou niets anders dan hun eigen vooringenomenheid bewijzen.

    Universiteiten moeten vakgroepen als postkoloniale en genderstudies grondig herzien om wetenschappelijke kennis te scheiden van ‘constructivistische drogredeneringen’, vindt het drietal. ‘Dat zou niet moeilijker moeten zijn dan in andere vakgebieden’, aldus Helen Pluckrose.

    Genderstudies

    Zo eenvoudig is dat niet, reageert hoogleraar Rosemarie Buikema, die de onderzoeksgroep genderstudies aan de Universiteit Utrecht leidt. ‘Zij maken een tweedeling tussen ideologische en objectieve wetenschap, maar dat is een aanname die ter discussie staat. Niemand heeft rechtstreekse toegang tot de waarheid. Dat betekent niet dat alles maar kan. Iedere wetenschapper moet verifieerbaar kunnen argumenteren, of het nu natuurwetenschappen of genderstudies betreft.’

    Wetenschapsfilosoof Massimo Pigliucci ziet wel reden tot zorg over de ideologische eenzijdigheid en geïsoleerdheid van sommige academische takken. ‘Maar als je wetenschappers op de korrel wilt nemen, moet je de argumenten in hún boeken en papers gedetailleerd kunnen weerleggen. Een stunt als deze is zowel onprofessioneel als nutteloos. Het voegt weinig toe.’

    Verschenen bij De Volkskrant en De Morgen op 5 oktober 2018.

  • Bouterse richt zich op Moskou: Suriname trekt erkenning Kosovo in

    De Groene Amsterdammer ★ 23 november 2017

    Ineens was Suriname het gesprek van de dag in Servië en Kosovo. Het land had op 27 oktober besloten om zijn erkenning van de Republiek Kosovo in te trekken, zo maakte de Servische buitenlandminister Ivica Dačić op een persconferentie in Belgrado triomfantelijk bekend.

    Suriname mengt zich daarmee in een diplomatieke Balkan-heksenketel. Sinds Kosovo zich in 2008 eenzijdig afscheidde van Servië, lobbyen beide landen wereldwijd om staten ertoe te bewegen de kleine Balkanstaat wel of juist niet te erkennen. Daarbij weet Kosovo zich gesteund door de VS en Servië door Rusland. Suriname was een van de laatste landen die Kosovo heeft erkend, op 8 juli vorig jaar, maar is nu ook een van de eerste die dat besluit intrekt.

    In Kosovo werd met ongeloof gereageerd op deze draai. Een regeringswoordvoerder zei geen officieel bericht van Paramaribo te hebben ontvangen en stelde bovendien dat erkenning niet zomaar teruggedraaid kan worden. Maar ondertussen was er al een Surinaamse delegatie onderweg naar Belgrado, waar minister Mike Noersalim kwam verklaren dat Suriname zich niet wil mengen in ‘interne aangelegenheden van bevriende landen zoals Servië’.

    Daar bleek het Surinaamse parlement door overdonderd. ‘Het is in strijd met de afspraken tussen de regering en het parlement’, zegt oppositieleider Chan Santokhi, die zich afvraagt of Paramaribo niet onder druk is gezet van Rusland. Want opmerkelijk genoeg kwam de ommezwaai inzake Kosovo daags voor een bezoek van buitenlandminister Yldiz Pollack-Beighle aan Moskou. Daar tekende zij een handjevol samenwerkingsakkoorden met Rusland. Het kroonstuk vormt een partnerschap met de Diplomatieke Academie van het Russische buitenlandministerie die Suriname gaat helpen bij het opzetten van een diplomatenschool. Voortaan zullen de diplomaten deels in Moskou studeren.

    Zo lijkt het betwisten van de Kosovaarse onafhankelijkheid de voorbode van een nieuwe buitenlandkoers die binnen de invloedssfeer van het Kremlin komt te liggen. Rusland speelt al langer in op het anti-Amerikaanse sentiment in Latijns-Amerika. Maar de toenadering tussen Moskou en Paramaribo is volgens oppositieleider Santokhi niet realistisch. ‘Rusland ligt te ver weg en de strategische belangen liggen ver uit elkaar. De regering-Bouterse beschikt niet eens over het vermogen om het huidige aantal internationale akkoorden uit te voeren, zelfs niet met buurland Brazilië.’

    Volgens hem is het gewoon het zoveelste staaltje zigzagbeleid van Bouterse.

    Verschenen in de Groene Amsterdammer van 23 november 2017.

  • Hoe lang zijn Nederlandse mannen nog de langste? In de Dinarische Alpen lopen geduchte rivalen rond

    Nederlandse mannen zijn met een gemiddelde lichaamslengte van 183,8 cm de langste mensen ter wereld, bevestigen studies keer op keer. Maar de vraag is hoe lang nog, want er lopen geduchte rivalen op de Balkan rond.

    De Volkskrant25 april 2017

    Mannen uit de Bosnische regio Herzegovina kunnen zich met een gemiddelde lengte van 183,4 cm prima met de Nederlanders meten. Zij worden geflankeerd door hun naaste buren in Montenegro en Kroatië, die ook boven de 183 cm uitkomen. Dat melden Tsjechische en Montenegrijnse sportwetenschappers in een nieuwe studie, gepubliceerd in Royal Society Open Science.

    Dat er in de Dinarische Alpen, die zich uitstrekken over Montenegro, Bosnië-Herzegovina en Kroatië, bijzonder lange mensen wonen, is niets nieuws. Maar niet eerder werden de lengteverschillen zo nauwkeurig in kaart gebracht. Voor dit onderzoek werden zo’n 3.200 jongemannen tussen de 17 en 20 jaar opgemeten. Achter het landelijke gemiddelde van 181 cm blijken grote regionale verschillen schuil te gaan.

    De ideale basketballers zijn te vinden in een gordel tussen de steden Trebinje en Livno, waar de lengten rond de 185 cm schommelen. En onder optimale omstandigheden zouden zij volgens de onderzoekers nog veel langer zijn. De groei blijft echter steken doordat het lokale voedsel weinig eiwitten bevat en het welvaartspeil laag is. Hierdoor zijn de Bosniërs in een eeuw slechts 8 centimeter langer geworden, terwijl de Nederlanders in dezelfde tijd ruim 13 centmeter zijn gegroeid. ‘Maar op de elitescholen in Herzegovina zie je jongens van gemiddeld 185 à 186 cm’, zegt Pavel Grasgruber van de Tsjechische Masaryk Universiteit. ‘Dat zegt wel iets over het potentieel.’

    Dinarische Alpen

    De bijzondere lengten worden volgens Grasgruber vooral door genetische factoren bepaald. De bewoners van de Dinarische Alpen zijn namelijk dragers van een speciaal type mannelijk y-chromosoom. Deze zogenaamde y-haplogroep I-M170 zou afkomstig zijn van rijzige paleolitische jagers die tijdens de laatste IJstijd hun toevlucht zochten in het Kroatische kustgebied. Dezelfde haplogroep komt ook veel voor bij de eveneens lange Scandinaviërs.

    Moleculair antropoloog Marijana Petricic van de universiteit van Zagreb reageert zeer terughoudend op de studie, waar verder geen dna-onderzoek aan te pas kwam. ‘Hoe de auteurs in dit artikel genetische factoren interpreteren is wetenschappelijk onaanvaardbaar. Geen enkel onderzoek heeft ooit een y-haplogroep met lichaamslengte in verband gebracht.’

    De Groninger socioloog Gert Stulp, die onderzoek deed naar lichaamslengten in Nederland, is milder gestemd. ‘Genetische verschillen kunnen zeker voor een deel de variatie in lichaamslengte verklaren. Maar omgevingsfactoren, zoals hoeveelheid en type voeding, hebben altijd een veel groter effect op lengte dan genen.’

    Toch lijkt het Grasgruber het waarschijnlijkst dat de Dinarische bergbewoners hun lengte aan een langbenige voorvader hebben te danken. ‘Het is geen honderd procent betrouwbaar hulpmiddel, maar de samenhang tussen de haplogroep I-M170 en lichaamslengte in Europa kun je nauwelijks toevallig noemen.’

    Verschenen bij de Volkskrant op 25 april 2017 en het Nederlands Dagblad op 28 april 2017.

  • Sprookjes uit over-over-overgrootmoeders tijd

    Volkskrant, 5 juli 2016 ★ Waar komen onze sprookjes vandaan? Volgens nieuwe inzichten zijn bekende sprookjes véél ouder dan gedacht. Misschien zong Repelsteeltje al toen het schrift nog niet eens was uitgevonden.

    Aan het eind van het bos stond een huisje op een hoge berg. En voor dat huisje brandde een vuur, waar een gek mannetje omheen danste en zong:

    Wat een geluk dat niemand weet

    Dat ik Repelsteeltje heet

    Vrijwel iedereen kent dit rijmpje uit het verhaal van Repelsteeltje, de listige dwerg die nietsvermoedend zijn naam aan een stiekeme toehoorder verklapt.

    Zestiende eeuw

    Tot voor kort werd aangenomen dat dit klassieke sprookje van Grimm uit de zestiende eeuw stamt. De naam Repelsteeltje vinden we in de bronnen voor het eerst in een Duitse satirische verhalenbundel uit 1575.

    Maar dat beeld werd onlangs onderuit gehaald door twee onderzoekers, die ontdekten dat het sprookje zeker 2.500 jaar oud moet zijn. Minstens vijf keer zo oud als werd gedacht! En dat geldt niet alleen voor Repelsteeltje. In het tijdschrift Royal Society Open Science concluderen de Britse antropoloog Jamie Tehrani en de Portugese literatuurwetenschapper Sara Graça da Silva dat ook bekende sprookjes als Belle en het beest en Sjaak en de bonenstaak uit de diepe prehistorie moeten stammen.

    Stel je het fluisterspelletje voor, waarbij je een verhaal moet doorvertellen aan iemand die het weer aan een ander doorvertelt. Bij elke stap in het spelletje kan er een woord veranderen of iets verloren gaan, omdat mensen elkaar niet goed begrijpen of details vergeten. Aan het eind komt er een heel ander verhaal uit.

    Bewijs

    Je zou denken dat een verhaal onmogelijk duizenden jaren lang in een herkenbare vorm kan worden doorverteld. Toch denken Tehrani en Da Silva dat ze daarvoor overtuigend bewijs hebben gevonden, ook al reiken de geschreven bronnen lang niet zo ver terug.

    De twee onderzoekers maakten gebruik van een grote wetenschappelijke index van volksverhalen uit Europa en West-Azië, waarop ze evolutionaire computertechnieken loslieten. Met deze statistische rekenprogramma’s worden in de biologie de genetische verwantschap en afstamming van soorten gereconstrueerd. Als resultaat komt een evolutiestamboom tevoorschijn, met een gemeenschappelijke voorouder.

    Het sprookje van Vrouw Holle

    Het sprookje van Vrouw Holle behoort tot de klassieke sprookjesverzameling van de gebroeders Grimm die voor het eerst in 1812 verscheen. Het volksverhaal over een vlijtige en een luie zuster die karweitjes moeten doen voor Vrouw Holle en hiervoor beloond dan wel gestraft worden, is in heel Europa bekend. Met computerberekeningen van 700 versies ontwaarde onderzoeker Robert Ross vijf culturele invloedssferen in Europa die sterk door taalverwantschap, maar nog meer door geografische nabijheid lijken te zijn bepaald. Zo is er een variant waarin Vrouw Holle is vervangen door een religieus figuur, zoals de maagd Maria, die het brave kind naar de hemel zendt en het stoute kind naar de hel. Die variant is opgetekend in Nederland en Vlaanderen, maar ook bij Franstaligen in Wallonië en Noord-Frankrijk.

    ‘Sprookjes zijn bij uitstek geschikt voor deze methodes, omdat ze in de loop der tijd opeenstapelende veranderingen hebben ondergaan’, zegt literatuurwetenschapper Da Silva van de Nieuwe Universiteit van Lissabon. ‘Sprookjes evolueren en kunnen verdwijnen, net als biologische soorten.’

    Verspreiding

    Da Silva en haar collega selecteerden voor hun onderzoek 275 magische verhaaltypen die bekend zijn in Europa en West-Azië om te testen hoe de verhalen zich van India tot Scandinavië hebben verbreid. Die verbreiding vergeleken zij met hoe de Indo-Europese talen – waartoe onder meer Nederlands, Russisch, Grieks en Perzisch behoren – zich over het continent hebben verspreid.

    De Indo-Europese stamboom

    Het Perzische woord voor dochter is dokhtar, voor moeder is madar en voor kaal is kal. De gelijkenissen zijn geen toeval, want het Nederlands en Perzisch zijn familie van elkaar. Ze stammen beide af van de Indo-Europese oertaal die zo’n 6.000 jaar geleden gesproken werd. Die taal vormt de basis van inmiddels zo’n vierhonderd talen over de wereld, waaronder ook Engels, Spaans, Russisch, Grieks en Hindi.

    Volgens hun analyses wordt de herkomst van 76 verhaaltypen vooral verklaard door een lange lijn van mondelinge overleveringen. Bijvoorbeeld het sprookje van Belle en het beest, waarin een meisje met haar innige liefde een vreselijk beest in een prins doet veranderen. We kennen het als Disney-klassieker, maar de vroegst geschreven versies van het verhaal duiken al op in de eerste eeuwen van onze jaartelling bij de Berbers-Romeinse schrijver Lucius Apuleius, en ook als Indiase dierenfabel.

    Met de Indo-Europese taalstamboom als tijdlijn berekenden de onderzoekers hoe diep in de geschiedenis deze verhalen terugreiken. Veruit het oudste sprookje moet dat van de smid zijn die een pact sluit met de duivel. Een gewiekste smid verkoopt zijn ziel in ruil voor bovennatuurlijke krachten, die hij gebruikt om de duivel uiteindelijk te slim af te zijn. Dit verhaal werd volgens Tehrani en Da Silva waarschijnlijk al in de bronstijd – zo’n 6.000 jaar geleden – verteld door de gemeenschappelijke voorouders van alle Indo-Europees sprekende culturen.

    Steppevolk of landbouwers?

    De oorsprong van de Indo-Europese taalfamilie is voor onderzoekers van taalevolutie een geliefd onderwerp. Maar ook al hanteren onderzoeksteams dezelfde methodes, ze leidden niet altijd tot dezelfde resultaten. Een team van de Nieuw-Zeelandse evolutiebioloog Quentin Atkinson stelde in 2012 dat de voorouders van alle Indo-Europese culturen landbouwers waren die 8.000 à 9.500 jaar geleden in Anatolië leefden. Hun conclusie was gebaseerd op een analyse van woorden uit 103 uitgestorven en hedendaagse Indo-Europese talen. Vorig jaar deed een groep taalkundigen van de University of California in Berkeley soortgelijk rekenwerk met woorden uit 150 Indo-Europese talen. Maar zij kwamen tot een ander inzicht, namelijk dat de Indo-Europese oertaal gesproken werd door een nomadisch volk dat zo’n 6.000 jaar geleden op de Russische steppen leefde.

    Oude oorsprong

    Het is de postume bevestiging van wat de gebroeders Grimm altijd al hebben gezegd: dat sprookjes een heel oude oorsprong hebben. Tehrani en Da Silva wilden laten zien dat de gebroeders er met hun negentiende-eeuwse overtuiging niet naast zaten.

    Hun conclusies gingen als ronkend wetenschapsnieuws de wereld over, maar worden door critici koeler ontvangen. Dat sprookjes uit de bronstijd stammen is pure speculatie, vindt de aan het Meertens Instituut verbonden historisch antropoloog Willem de Blécourt. Het onderzoek heeft volgens hem meer weg van een cirkelredenering. ‘Het lijkt erop dat de vooronderstellingen die je in een computerprogramma stopt er net zo hard weer uitkomen.’

    Volgens De Blécourt stammen veruit de meeste sprookjes die we kennen van gedrukte teksten uit de zestiende eeuw of later. En dat is met de smid en de duivel niet anders. ‘Dat is een katholiek verhaal dat door jezuïeten werd verspreid.’ Hij blijft liever op tekstbronnen vertrouwen dan op gereken met computers.

    DNA

    De studie van Tehrani en Da Silva is pas de eerste die de ouderdom van volksverhalen met evolutionaire rekenmethodes probeert te achterhalen. Die methodes zijn betrouwbaar gebleken in DNA-onderzoek, bijvoorbeeld om de verspreiding van ziektekiemen te voorspellen op basis van hun DNA.

    De laatste jaren worden ze meer en meer aangewend door onderzoekers die het ontstaan van talen en cultuuruitingen proberen te doorgronden. Cultural phylogenetics is het buzzwoord onder archeologen en antropologen. Ondanks de kritiek waagt een groeiend aantal wetenschappers zich aan deze nieuwe methodes.

    Neem cognitief wetenschapper Robert Ross van de Londense Royal Holloway University. Wie wil begrijpen hoe verhalen over vele generaties mondeling worden doorgegeven, moet volgens Ross kijken naar culturen die geen schriftelijke tradities kennen. Hij onderzocht met evolutionaire methodes de verspreiding en onderlinge verwantschap van volksverhalen onder de arctische jagersvolken van Siberië en Noord-Amerika. Ook al zijn deze groepen door enorme afstanden van elkaar geschieden, ze delen vaak dezelfde verhalen.

    Een kosmische jachtpartij

    Waar komt het sterrenbeeld Grote Beer vandaan? In veel culturen op het noordelijk halfrond tref je hetzelfde mythologische motief aan van een kosmische jachtpartij waaruit het hemellichaam is ontstaan. Zo plaatste de Griekse god Zeus de jagende koning Arcas en zijn moeder beer Callisto aan de hemel als Kleine en Grote Beer. Bij de Noord-Amerikaanse Irokezen verwonden drie jagers een beer, die vanaf een bergtop de hemel inspringt en met de jagers in het sterrenbeeld versmelt. Volgens antropoloog Julien d’Huy van de Parijse universiteit Panthéon-Sorbonne dateert de kosmische jachtpartij uit de steentijd. Hij verwerkte 47 varianten van het motief in een evolutionaire stamboom, die volgens hem overeenkomt met onze kennis over grote bevolkingsmigraties, zoals die van de eerste indianen in Amerika.

    Geografische nabijheid

    ‘We vonden aanwijzingen dat de aanwezigheid van een volksverhaal bij een groep kon worden voorspeld door taalverwantschap en door geografische nabijheid. Dat bewijst dat verhalen worden doorgegeven door intensieve sociale contacten met buurvolken, maar ook langs vele generaties. En dat laatste ondersteunt het punt van Tehrani en Da Silva dat sommige Europese sprookjes een voorgeschiedenis hebben die verder teruggaat dan de uitvinding van het schrift.’

    Een soortgelijke conclusie trekken drie Australische wetenschappers over de verhalen die Aboriginals vertellen over zeespiegelstijgingen. Zij hadden hiervoor geen ingewikkelde rekenmethodes nodig, maar hielden 21 lokale overleveringen tegen het licht van nieuwe inzichten uit zeeonderzoek. Zo verhalen de bewoners van Fitzroy Island aan de noordkust van Queensland dat de oude kustlijn ter hoogte van het Great Barrier Reef lag, totdat een watervloed het land overspoelde.

    Omstreden

    Volgens de onderzoekers vormen de verhalen herinneringen aan de zeespiegelstijging die na de laatste ijstijd, meer dan 7.000 jaar geleden, plaatsvond. ‘Allicht is onze conclusie tamelijk omstreden’, erkent taalkundige Nicholas Reid van de Australische universiteit van New England. ‘Het wordt immers betwijfeld of een verhaal over een periode van achthonderd jaar of langer kan worden doorverteld.’

    Maar Reid en zijn collega’s wijzen erop dat aan deze overleveringen nog andere Aboriginalverhalen kunnen worden toegevoegd die melding maken van dateerbare gebeurtenissen uit de prehistorie. Zoals van een vulkaanuitbarsting van de berg Mount Gambier, die volgens aardwetenschappers voor het laatst zo’n 5.000 jaar geleden plaatsvond.

    ‘Dat in sommige culturen verhalen over een onvoorstelbaar lange periode zijn doorgegeven, kun je niet op voorhand als een onmogelijkheid afwijzen. De Aboriginalverhalen dwingen ons om zorgvuldiger naar deze tradities te kijken.’

    Verschenen in de Volkskrant van 5 juli 2016.