• Alle plaatsnaamborden in gemeente Noardeast-Fryslân voortaan Friestalig? ‘Gjinien yn Nijewier seit Niawier’

    In Noardeast-Fryslân worden de officiële plaatsnamen straks Friestalig. Niet iedereen wil mee in die harmonisering, zoals vier dorpen in de Noordoosthoek waar geen Fries wordt gesproken. Passen eentalige komborden wel in een meertalige gemeente?

    Friesch Dagblad ★ 3 mei 2021

    Dorpsbelangen in Noardeast-Fryslân konden tot 1 mei reageren op het voornemen van de gemeente om alle officiële plaatsnamen te harmoniseren naar het Fries. Het gaat dan om de Nederlandse plaatsnamen die nog voorkomen in het gebied van de voormalige gemeenten Dongeradeel en Kollumerland. Ook komen er overal eentalige plaatsnaamborden.

    De gemeente meldt dat er tot nu toe acht reacties van dorpsbelangen zijn binnengekomen en er nog een aantal wordt verwacht. De dorpen in de Noordoosthoek die de Nederlandse plaatsnaam willen handhaven, hebben elk een verzoek om behoud ingediend voorzien van uitgebreide historische argumentatie en de uitslagen van enquêtes die onder inwoners zijn uitgezet.

    Daaruit blijkt dat 97 procent van de Burumers de huidige plaatsnaam wil behouden. In Munnekezijl is dat 98 procent van de uitgebrachte stemmen en in Kollumerpomp 89 procent. In deze dorpen heeft de bevolking in meerderheid geen bezwaar tegen tweetalige komborden waarop beide varianten staan vermeld.

    Secretaris Wieger Kuiken zegt dat Dorpsbelangen Kollumerpomp zich in de jaren negentig juist sterk heeft gemaakt voor een tweetalig kombord met de naam De Pomp erop. „Met veel inzet vanuit het bestuur is dit verzoek uiteindelijk door de gemeente Kollumerland ingewilligd.” Volgens Kuiken is de naam die de gemeente nu voorstelt, De Pomp, willekeurig gekozen omdat beide naamsvarianten goed Fries zijn.

    Mengdialecten

    In de Noordoosthoek van de gemeente is men meer op het Westerkwartier georiënteerd en worden er Fries-Groningse mengdialecten gesproken. Ook de Friese plaatsnaam Muntsjesyl wijkt af van hoe Munnekezijl in het plaatselijke dialect wordt uitgesproken: Muntjeziel. Vanuit het dorp ben je met de bus sneller in de stad Groningen dan bij het gemeentehuis in Dokkum.

    Maar er is nog een reden waarom Munnekezijl zich tegen de naamsverandering keert. „In het dorp wordt vrij hard gereden en wij zouden graag snelheidsbeperkende maatregelen willen zien. Maar als je bij de gemeente aanklopt, hebben zij daar geen financiën voor”, zegt Luit Zuidersma van Plaatselijk Belang Munnekezijl. „Dan komt er ineens iets met plaatsnaamborden, en daar trekken ze dan misschien wel een half miljoen voor uit. Die borden zijn net vervangen toen we opgingen in de nieuwe gemeente.”

    „Dit ûnderwerp leit altyd gefoelich”, zegt FNP-raadslid Aant-Jelle Soepboer, die vorig jaar het voorstel voor de harmonisering van plaatsnamen indiende. „Ik fyn it in boppeslach dat wy aansens oerwaagjend Fryske plaknammen hawwe sille. Mar wy sjogge en hearre it sentimint yn de easthoeke. Dat lit ik graach oan it kolleezje oer om dêr in goed útstel fan te meitsjen.”

    Dubbelnaam

    Maar niet alleen de dorpen in de Noordoosthoek willen geen officiële Friese plaatsnaam. Ook Aalsum, Augsbuurt en Waaxens willen hun Nederlandse naam behouden. Oostmahorn heeft van de Topografyske Wurkgroep Fryslân het voorstel overgenomen om het watersportdorp de dubbelnaam De Skâns-Oostmahorn te geven.

    De dorpsbelangen van Oosternijkerk en Niawier willen de tweetalige plaatsnaamborden behouden, het liefst met de Nederlandse variant bovenaan. ,,Oars kin in toerist ús net mear fine”, zegt secretaris Anja Kloostra van Dorpsbelang Niawier. „In rûngong troch it doarp ha wy net dien, mar as bestjoer wiene wy it dêr mei syn fjouweren oer iens.”

    Dat een toerist of postbode straks het dorp niet meer kan vinden noemt Soepboer, die zelf in Niawier woont, een drogreden. „Hoe dreech is it eins foar minsken om Nijewier te ûnthâlden? Der is hjir gjinien dy’t Niawier seit. As wy dy namme feroarje, dan sil der oer in jier net iens mear oer neitocht wurde.”

    Het gaat Soepboer erom dat de officiële dorpsnaam in de gemeentelijke basisregistratie wordt aangepast. „Dêr stiet mar ien offisjele plaknamme yn registrearre, en dat moat de Fryske fariant wurde. Wy ha Ferwerderadiel, dêr’t alles inkeldtalich Frysk wie, as standert naam.”

    Het vervangen van de komborden heeft geen haast en hoeft volgens Soepboer amper geld te kosten. „As it boerd oan ein is, dan ferfange je dat. Dêr mei wol tsien jier oerhinne gean, dat hinderet hielendal neat.”

    Taalemancipatie

    Het plaatsnamenbeleid van Friese gemeenten is op het eerste gezicht een warboel. Toch ziet Riemer Reinsma, die als naamkundige het beleid heeft onderzocht, door de jaren heen overal in Fryslân vaak hetzelfde patroon: komborden waren aanvankelijk eentalig Nederlands, waarna er tweetalige borden kwamen met de Nederlandse naam bovenaan. Die volgorde werd vervolgens omgedraaid en uiteindelijk blijft er een eentalig Fries plaatsnaambord over.

    Hoe sterk de vertegenwoordiging van de FNP -– de drijvende politieke kracht achter de Friese taalemancipatie – in een gemeente is, speelt daarbij volgens Reinsma een belangrijke rol, maar ook of een gemeente geografisch dicht bij een stedelijk gebied ligt. „Rond Leeuwarden hebben Tytsjerksteradiel en Ferwerderadiel al snel eentalige Friese komborden gekregen. Dat is niet omdat ze Friestaliger zijn dan bijvoorbeeld Dongeradeel, maar het is een soort gebaar uit vrees voor de verhollandsing vanuit de stad. Het lijkt wat op de situatie rond Brussel. Dat is een heel erg verfranste stad met een ring van Vlaamse gemeenten eromheen, die hameren op hun Vlaamsheid.”

    Voor de nieuwe grote fusiegemeenten waar naast het Fries nog andere talen worden gesproken, blijkt het lastiger om eentalig Fries beleid te bereiken. Zo besloot Waadhoeke om de deels Friese, deels Nederlandse plaatsnamen niet te harmoniseren. Een rechtszaak die FNP-bestuurslid Jehannes Elzinga vorig jaar tegen de gemeente aanspande, veranderde daar niets aan. Aanvankelijk hoefde het in 2019 gevormde Noardeast-Fryslân ook niet zo nodig te harmoniseren. Het naast elkaar bestaan van Friese en Nederlandse plaatsnamen zou volgens de taalnota juist ‘it ferskaat oan talen en dêrmei de meartaligens’ demonstreren.

    Eenheidsworst

    Daar stak Soepboer vorig jaar september een stokje voor met zijn amendement, dat unaniem werd aangenomen door de gemeenteraad. Maar passen eentalige komborden wel in een meertalige gemeente?

    Voor Reinsma maken eentalige komborden van de taaldiversiteit een „eenheidsworst”, maar Soepboer ziet dat anders. „Minsken ha de mûle fol fan meartaligens, mar dat meie je noait misbrûke om ús taal net te emansipearjen”, reageert Soepboer.

    „Mei it Frysk op de buorden litte wy ús eigen identiteit sjen. Dat betsjut net datst de meartaligens ûndergraafst, want it Hollânsk is likegoed oeral wol sichtber, en sil dat ek bliuwe. Wy stribje nei echte lykweardigens. As wy ús ferskûljen bliuwe achter dy meartaligens, dan bliuwt it Frysk in suertsje by de boadskippen.


    Verschenen in het Friesch Dagblad van 3 mei 2021. In juli van dat jaar gaf de raad van Noardeast-Fryslân met een amendement op het laatste moment gehoor aan de wens van de dorpen Hiaure, Waaxens en Aalsum om hun huidige naam te behouden. Ook de vier niet-Friestalige dorpen Burum, Munnekezijl, Warfstermolen en Kollumerpomp hebben hun Nederlandstalige naam behouden. Alle andere plaatsnamen zijn per 1 januari 2023 naar het Fries geharmoniseerd.

  • Friese nederzetting uit de Romeinse tijd is midden in een woonwijk van IJmuiden blootgelegd

    Midden in een woonwijk in IJmuiden zijn de restanten van een Friese boerderij uit de Romeinse tijd gevonden. „De Friezen zijn hier letterlijk weggestoven. Door hun eigen toedoen moesten ze verkassen.”

    Friesch Dagblad ★ 22 april 2021

    Senior-archeoloog Jan de Koning is de komende weken druk aan het graven aan de Lagersstraat in IJmuiden, vlakbij het Noordzeekanaal. Op die plek, midden in een woonwijk op het terrein van een gesloopte oude school, legde hij deze week de resten bloot van een Friese boerderij uit de Romeinse tijd.

    „Het is best bijzonder om op een vrij groot terrein binnen de bebouwde kom zo’n intact archeologisch archief te vinden”, zegt De Koning, die onderzoek doet in opdracht van de gemeente Velsen. „Het is bij toeval bewaard gebleven, omdat het schoolgebouw dat hier stond niet zo diep was gefundeerd.”

    De Koning dateert de nederzetting op de tweede of derde eeuw na Christus. „We hebben een mantelspeld, een stuk gereedschap en schervenmateriaal gevonden, en die wijzen allemaal op die periode.” Vergelijkbare opgravingen zijn in de omgeving wel eerder gedaan, maar dan meer dan een halve eeuw geleden op het voormalige Hoogovens-terrein, nu Tata Steel. „Nu hebben we eenzelfde soort locatie te pakken, op een andere plek in IJmuiden. Dat bevestigt het idee dat er overal wel zulke nederzettingen zijn geweest. Daar staan nu vaak huizen bovenop.”

    Castellum Flevum

    Het duingebied van Noord-Holland werd in de Romeinse tijd bewoond door Friezen. Het toenmalige Friese cultuurgebied, dat werd gekenmerkt door dezelfde inheemse stijl van aardewerk en langgerekte boerderijen met een woon- en stalgedeelte, strekte zich uit van boven de Romeinse noordgrens langs de Rijn tot in het Friese kleigebied. Het duingebied rond Castricum en IJmuiden moet volgens De Koning in die tijd vrij dichtbevolkt zijn geweest.

    „Waarschijnlijk hebben de Romeinen ook om die reden het fort Castellum Flevum bij Velsen gebouwd. Lange tijd werd gedacht dat het fort er stond opdat de Romeinen snel de Noordzee op konden varen, maar inmiddels weten we dat dat juist heel moeilijk was. Er lagen toen flinke zandbanken voor de kust in de monding van het Oer-IJ. Inmiddels denken we dat het Romeinse fort midden in een gebied vol nederzettingen stond, omdat ze belasting in natura wilden innen.”

    Die belastingheffing leidde in 28 na Christus tot een legendarische Friese opstand. In de eeuwen daarna bleef de bevolking in het duingebied groeien. Uit die periode stamt dus de opgegraven boerderij. Het was een gemengd bedrijf met vee en akkerbouw, vertelt De Koning.

    „We hebben akkers met ploegsporen gevonden. Ook is er in een latere periode over de nederzetting heen geakkerd. De boerderij zal toen dus op een andere plek hebben gelegen. Het waren zwervende erven: in een duingebied raakt de grond redelijk snel uitgeput, dan moesten de boeren op een andere plek verder. Met zand overstoven akkers en karresporen zijn typisch voor dit gebied. De Friezen zijn hier letterlijk weggestoven. We zien vaak dat de laatste ploegschollen uit schoon zand bestaan. Dan konden ze nog één keer het duinzand meeploegen, daarna was het echt afgelopen. Ze moesten uiteindelijk door hun eigen toedoen weer verkassen.” In de loop van de vierde eeuw liep het gebied leeg en volgde een eeuw met amper bewoning.

    Pottenstapels

    Uit de Romeinse tijd zijn van de Friezen tienduizenden scherven aardewerk gevonden, maar hoe hun boerderijen er precies uitzagen is nog niet compleet in kaart gebracht. De Koning hoopt dat deze locatie een plattegrond prijsgeeft. „We hebben hier de sporen van paalkuilen gevonden, maar echte huisplattegronden moeten we nog gaan vinden. Dat is een hele puzzel. We hebben al wel sporen van greppels, waterputten en kuilen gevonden, en gisteren hadden we een pottenstapel. Dat zijn opgestapelde, deels in elkaar liggende potten met kartelranden, waar de bodem uit is.”

    ,,Je kon als je hier in het duinzand een gat groef het welwater naar boven krijgen; waarschijnlijk was zo’n pottenstapel bedoeld als een klein putje om schoon water te tappen. Ze zijn ook in de jaren zestig gevonden bij de Hoogovens en in Castricum. Het is wel leuk om te zien dat iemand dat ooit heeft verzonnen en dat het echt een traditie van de lokale Friezen hier is geworden. Het komt alleen hier voor, in Kennemerland en het Oer-IJ-gebied.”

    Over drie weken wordt het terrein aan de Lagersstraat klaar gemaakt voor nieuwbouw.


    Verschenen in het Friesch Dagblad van 22 april 2021.

  • Een knik in de zeedijk precies boven een gasbel bij Moddergat: ‘Hoe is it mooglik!’

    De gaswinning heeft bij Moddergat (Noardeast-Fryslân) een dijkverzakking veroorzaakt, vermoeden bewoners. Wetterskip Fryslân spreekt dat tegen. „It soe my net fernuverje as wy binnen tsien jier in beving krije.”

    Friesch Dagblad 29 maart 2021

    “Wy steane hjir eksakt op it midden fan de Nessumer gasbel”, roept Douwe Anema vanaf de zeedijk bij Moddergat zijn publiek toe. Een twintigtal mensen verzamelde zich hier zaterdagochtend voor een dijkinspectie op uitnodiging van de stichting Fêste Grûn, die zich zorgen maakt over de gaswinning in het gebied.

    Bestuurslid Anema uit Nes is er „99 procent zeker” van dat door die gaswinning over een lengte van zo’n driehonderd meter een knik in de dijk is ontstaan. „Kinst it hiel dúdlik sjen oan it talúd”, zegt hij met een verrekijker in zijn handen. „Hjir sakket er fuort en dêr is er wer strak.”

    Hoe het komt dat hij dat weet? „Ik ha myn hiele libben hjir al by de seedyk dwaande west”, zegt de 72-jarige aardappelboer. „Us lân leit oan de dyk ta.” Hij wijst vanaf de dijk naar een hoge boerderij vlakbij Nes: „Dêr bin ik berne, op dy pleats.”

    Een kleine aardbeving

    De verzakking begon hem op te vallen nadat er in 2013 een kleine aardbeving plaatsvond voor de kust van Ameland, met een kracht van 1,8 op de schaal van Richter. „Mar dit is al tsien jier oan ’e gong. Ik haw in pear jier lyn foto’s makke en dan sjochtst dat it no slimmer steld is mei de dyk.”

    De NAM wint sinds 1987 gas in de omgeving van Moddergat, Anjum, Ee en Metslawier. Door gaswinning is de bodem hier al enkele centimeters gezakt, het sterkst in de polder De Kolken bij Anjum. Daar is al sprake van een verminderde drooglegging in landbouwpercelen.

    „Der binne gebouwen yn Wierum dy’t der al hûndert jier steane, dêr’t noait in skuor yn sitten hat en der sitte no skuorren yn”, zegt een van de aanwezigen op de dijk. Onder de toehoorders staat ook wethouder Jelle Boerema. Waar de knik door wordt veroorzaakt, moet een ander beoordelen, zegt hij. „Maar onze gemeente heeft niet voor niets gezegd dat we tegen de gaswinning zijn.”

    Wetterskip heeft een andere uitleg

    Dijkbeheerder Wetterskip Fryslân stelt desgevraagd dat de verlaging in de dijk het gevolg is van de zetting. „Een dijk wordt altijd met enige overhoogte aangelegd vanwege het inklinken”, verklaart woordvoerder Michiel Zijlstra. „Die klink is niet overal gelijk, dus daarom kan een dijk soms in hoogte verschillen. Dat zie je ook op andere locaties in ons beheergebied.”

    De knik in de dijk is volgens het waterschap dan ook naar alle waarschijnlijkheid niet het gevolg van gaswinning. „Bij bodemdaling zie je andere effecten. Dan zakt de dijk over een grotere lengte egaler.”

    Ook de NAM is dat oordeel toegedaan. „Gaswinning veroorzaakt bodemdaling in kilometers lange ‘schotels’, en niet zo lokaal als deze knik in de dijk”, meldt woordvoerder Sape Jan Terpstra.

    Toeval?

    „Dy knik leit gewoan tafallich krekt yn it hert fan de gasbel, hin?”, is Anema’s vurige repliek. „Krekt hjirre, hoe is ’t dochs mooglik!”

    Voor Anema ligt het helemaal anders. „Alle jierren sakke wy sa’n eintsje, dat it soe my net fernuverje as wy binnen tsien jier in beving krije. En de NAM kin no eigendommen fan burgers ferniele sûnder oanspraaklik te wêzen.”

    Anema verwijst hiermee naar de recente uitspraak van het Openbaar Ministerie, dat de NAM niet wil vervolgen voor opzettelijk verwijtbaar handelen in Groningen, omdat het bewijs daarvoor niet uit een elfduizend pagina’s tellend FIOD-rapport kan worden gehaald.

    ,,Wat hjir ûnder de grûn sit, is folle mear wurdich as wat der boppe-op sit. Minsken dy’t hjir wenje, dy dogge der helendal net mear ta.”

    Roep om eerlijkheid

    Stichting Fêste Grûn werd in 2016 opgericht door bewoners die zich zorgen maken om de gevolgen van gaswinning in het gebied. „We willen niet zozeer ageren tegen gaswinning. De meeste mensen hier stoken ook op gas. Maar wees in elk geval eerlijk en zeg wat er gebeurt”, zegt oud-voorzitter Piter Falkena.

    Fêste Grûn neemt deel aan het omgevingsproces dat opgezet is om de schadeafhandeling rond de voorgenomen winning van minstens vier miljard kuub gas bij Ternaard te regelen. Uit de inkomsten van dat gasveld zou zestig miljoen euro in een Gebiedsfonds voor lokale investeringen gestoken worden.

    Nu die plannen door een motie van de Tweede Kamer voorlopig van de baan zijn, vindt de stichting dat de maandelijkse overleggen met gemeente, provincie, waterschap en de NAM binnen de werkgroep Ontzorging Omgevingsproces Ternaard (OOT) ‘in de slaapstand’ kunnen worden gezet. In een brief aan de werkgroep kondigde Fêste Grûn eerder deze maand aan zich terug te trekken uit het overleg en zich met andere doelen bezig te houden.

    Niet zomaar verdwijnen

    Mochten de gasplannen bij Ternaard definitief niet doorgaan, dan vervalt ook de afspraak over het Gebiedsfonds. Maar die zestig miljoen euro moet niet zomaar verdwijnen, vindt Anema. „As Ternaard net trochgiet, dan moat dy sechstich miljoen trochskood wurde nei dit gebiet, foar de minsken dy’t hjir skea ha.”

    Volgens de commissie Bodemdaling Aardgaswinning Fryslân is de zeedijk tussen Moddergat en Wierum zo’n drie à zes centimeter gedaald.

    In 2019 betaalde de NAM zo’n 251.000 euro mee aan de dijkversterking Koehool-Lauwersmeer. Het ging om compensatie van bodemdaling bij de Lauwersmeerdijk, die nu wordt aangepakt. Waarschijnlijk volgt weer zo’n compensatie wanneer het dijkvak bij Moddergat aan de beurt is.

    Commissie Bodemdaling: ruim drie ton schadevergoeding

    In 2020 hebben gaswinners NAM en Vermilion in Fryslân 322.657 euro uitgekeerd als schadevergoeding voor bodemdaling, zo blijkt uit het jaarverslag van de Commissie Bodemdaling Aardgaswinning Fryslân.

    Het grootste deel van de bedragen werd door Vermilion uitgekeerd aan Wetterskip Fryslân. Ook is de gemeente Achtkarspelen betaald voor het herstel van functionele schade aan het riool in Kootstertille.

    Twee particuliere claims, over het slechter functioneren van een groep boothuizen en een draaibrug, werden door de commissie gehonoreerd. Eén melding van gebouwenschade door een particulier werd afgewezen. De commissie heeft in zijn twintigjarige bestaan zo’n 14,6 miljoen euro aan schadecompensatie vastgesteld

    De zwaarste bodemdaling in Fryslân is waargenomen op de oostpunt van Ameland, waar de bodem sinds het begin van de gaswinning in 1986 bijna veertig centimeter is gedaald. Aan de westkant van Franeker, waar Vermilion naar gas heeft geboord, is de bodem bijna dertig centimeter gedaald. Rondom Burgum en Kootstertille is de bodemdaling inmiddels meer dan twintig centimeter.


    Verschenen in het Friesch Dagblad van 29 maart 2021

  • De meisjes van Frisia, de Joegoslavische vrouwen die in de jaren zeventig naar Harlingen kwamen

    Vijftig jaar geleden, op 18 juni 1970, kwam de eerste groep Joegoslavische vrouwen aan in Harlingen om te werken bij spekjesfabriek Frisia. Van de meer dan zeventig geworven werkers zijn er velen gebleven en getrouwd. ,,We voelden ons hier thuis, als één grote familie.’’

    Leeuwarder Courant (LC) 20 juni 2020

    Het avontuur begon voor Mladena Hiemstra op een julidag in 1970, in de graanvelden van haar geboortedorp Djace in het toenmalige Joegoslavië. ,,Wij waren met de buren graan aan het oogsten, met de sikkel in de hand, toen een buurjongen ons zei dat een meisje uit een dorp verderop goed werk gevonden had in Nederland’’, vertelt Mladena thuis, achter de vuurtoren in het Harlinger havenkwartier.

    ,,Dat was Nada uit Pridvorica. Zij werkte in Roosendaal en was toen net op vakantie terug in haar dorp. Een paar dagen later ging ik met twee buurmeisjes op het dorpsfeest van Pridvorica op zoek naar Nada. We moesten donderdag naar het arbeidsbureau in Leskovac gaan, vertelde ze ons. Dus wij daarheen. Daar troffen we de personeelschef van Frisia, Van de Witte, die een beetje Servisch had geleerd. Hij heeft twee van ons direct aangenomen en drie weken later was ik in Harlingen.’’

    Zo kwam de toen 22-jarige Mladena met negen andere vrouwen op 20 augustus 1970 aan in Nederland om te werken voor de spekjesfabriek, zoals de Suikerwerkenfabriek Frisia onder Harlingers bekend staat. Een eerste groep van elf Joegoslavische werkkrachten was al twee maanden eerder, op 18 juni, gearriveerd in de havenstad

    Het ging Frisia in die jaren voor de wind. Tot ver over de landsgrenzen groeide de vraag naar zuurstokken, lolly’s, spekjes en ander snoepgoed. Frisia breidde buiten het oude stadscentrum uit met een fabriekshal op het industrieterrein Hermes. Maar de snoepfabriek kon in de wijde omtrek geen werkneemster meer vinden om de sorteer- en inpakmachines te bedienen. Het werven van arbeidskrachten uit het buitenland bood uitkomst.

    In het socialistische Joegoslavië, dat vooral in het economisch achtergestelde zuiden met veel werkloosheid kampte, was er juist een ruim aanbod van vrouwelijke arbeidskrachten. Nederland had in maart 1970 een wervingsovereenkomst gesloten met het land om het recruteren van gastarbeiders te vergemakkelijken. Dus besloot ook Frisia om Joegoslavische vrouwen naar Harlingen te halen.

    Personeelschef Hessel van de Witte reisde begin jaren zeventig meermalen af naar Joegoslavië om zelf werkkrachten te selecteren voor de snoepfabriek. Voor het merendeel wierf hij vrouwen uit het zuiden van Servië, vooral uit de industriestad Leskovac en het omliggende platteland.

    De meer dan zeventig vrouwen van Frisia vormden in die periode een van de grootste groepen buitenlandse werknemers in Friesland, samen met de Turken die bij houtfabrikant Halbertsma in Grou aan de slag waren.

    Branislava Visser kwam in mei 1972 vanuit de stad Pirot naar Harlingen. ,,Ik ben met een goede vriendin meegegaan. Zij was onderwijzeres, maar had geen werk omdat er toen een overschot aan leerkrachten was in Joegoslavië. Ik had tijdelijke baantjes als notulist bij de rechtbank en de gemeente in Pirot.’’

    ,,We waren allemaal jong en hadden wel zin in avontuur. Onze groep is met het vliegtuig naar Nederland gekomen. De bedrijfsleider die ons van Schiphol ophaalde, droeg geen pak met stropdas maar kwam op klompen met wollen sokken. Dat vonden we heel grappig, klompen hadden we nog nooit gezien.’’

    Het werk bij Frisia beviel de meeste vrouwen wel. ,,Ik vond het inpakwerk gezellig’’, zegt Mladena. ,,We waren een mooie grote groep van Joegoslaven. We voelden ons hier thuis bij Frisia, als één grote familie.’’

    Maar het werktempo lag hoog en er moest vaak worden overgewerkt, soms tot diep in de avond in een fabriekspand in de Sint Odolphisteeg. ,,We moesten dan het werkschort onder onze jassen verstoppen, want niemand mocht weten dat we daar ’s avonds nog doorgingen met inpakken. Later heeft iemand dat aan de politie doorgegeven en op een avond was het afgelopen.’’

    ,,Elke vrijdag om twaalf uur werd ons weekloon gestort’’, vertelt Save Weewer, die tegelijk met Mladena naar Nederland kwam. ,,Zaterdag gingen we dan vaak met z’n allen in de trein naar Leeuwarden om te winkelen voor nieuwe kleren. Het was fijn om zelf je geld te verdienen en je hand niet te hoeven ophouden bij je ouders.’’

    Onderkomen was door Frisia geregeld in het Sint-Annapensionaat aan de Hofstraat, waar de zusters franciscanessen destijds een rooms meisjesinternaat en een kleuterschool leidden. Voor de Joegoslavische dames werden tweepersoonskamertjes getimmerd met een stapelbed, een wastafeltje en opbergkasten. Het waren vooral de zusters Francesco Brons en Othona Kamps die hen onder de vleugels namen.

    ,,Ze leerden ons over de taal, de gewoontes en feestdagen, want voor ons was alles hier nieuw en anders’’, zegt Branislava. ,,Maar ze konden ook streng zijn. Wij moesten om tien uur ’s avonds binnen zijn. Dan stonden ze ons op te wachten om de deur op slot te doen. Als we heimwee hadden naar onze familie, gingen we in het pensionaat feesten, dansen en zingen. Het verdriet was dan wat minder.’’

    ,,We hebben wel lol gehad’’, zegt Save lachend. ,,Zuster Francesco wilden we eens Servisch dansen leren, zo met de voetjes omhoog, hup twee. Och, ze moest twee weken bijkomen van de pijn in haar voeten.’’

    De meisjes trokken veel aandacht in Harlingen en binnen de kortste keren kregen ze verkering. Een berucht trefpunt was bar-dancing Black and White op de Grote Bredeplaats. Daar ontmoette Save haar toekomstige man Gerrit Weewer.

    ,,Wij meiden gingen al direct de eerste zaterdagavond naar de Black and White. Al die knapen kwamen op ons af en wij riepen “marš!”, dat is ‘hoepel op!’ in het Servisch. ‘Wil je een Mars?’, kregen we van ze terug. ‘We hebben geen Mars bij ons!’ We spraken geen woord Nederlands, maar met handen en voeten zijn we er wel gekomen.’’

    Mladena hoefde niet zo nodig mee naar de bar. ,,Ik kwam uit een dorp en was dat niet gewend. Maar twee van ons hadden verkering gekregen met oomzeggers van mijn Durk. Op een dag zei een van hen dat ze in Midlum wel een leuke jongen voor me had gevonden. Ik moest maar even langskomen.’’

    Begin 1972 noteerden de zusters in hun kloosterdagboek dat het aantal dames in het pensionaat sterk terugliep ‘door huwelijk, op zichzelf gaan wonen en terugkeer naar Joegoslavië’. In totaal zijn er zo’n veertig Joegoslavische meisjes getrouwd met jongens uit Harlingen en omstreken.

    Ondertussen brachten de ervaringen van Frisia ook de Harlinger visfabrieken op het idee om werknemers uit Joegoslavië te halen. In de eerste maanden van 1974 neemt een twintigtal nieuwe meisjes hun intrek in het Sint-Annapensionaat. ,,Deze groep brengt heel wat moeilijkheden’’, meldt het kloosterdagboek.

    ,,Die meiden kwamen uit Belgrado, uit een miljoenenstad, die waren van een heel ander slag’’, legt Branislava uit. ,,Die kwamen hier binnen als filmsterren, dachten dat ze de modeshow gingen lopen. De meesten hadden het binnen een jaar wel bekeken in Harlingen. Wij hadden de leukste mannen toch al voor ze weggekaapt’’, grapt ze.

    Branislava verliet als laatste van de club het pensionaat in 1976. Na het werk bij Frisia liet ze zich omscholen tot kantoorassistent en werkte ze een tijd bij de gemeente Harlingen. Mladena bleef nog vele jaren doorwerken voor de spekjesfabriek. ,,Toen mijn oudste dochter was geboren, bracht Frisia een bus vol spekjes bij ons voor de deur. In de schuur achter ons huis ging ik verder met inpakken.’’

    Nu ze met pensioen zijn, brengen Durk en Mladena de zomermaanden gewoonlijk door in hun tweede huis in Djace, waar ook hun twee dochters, schoonzonen en kleinkinderen graag komen logeren. Ze zouden daar allang weer aan het tuinieren en klussen zijn geweest als de coronacrisis niet al het reisverkeer had lamgelegd.

    Maar nu de grenzen weer zijn geopend, hebben ze net als andere rentenierende kennissen uit Harlingen de tickets naar Belgrado al geboekt. Kijk dus niet raar op als je in de Lidl in Leskovac plat Harlingers hoort. ,,Vorige zomer waren we daar boodschappen aan het doen, toen Durk zei: ‘Must es kieke wie dat binne!’’’ Het waren hun buren die in Harlingen op hetzelfde rijtje wonen achter de vuurtoren.


    Verschenen in de LC van 20 juni 2020

  • Indianenverhalen: kun je geschiedschrijven zonder schrift?

    Wetenschappers zijn de laatste jaren serieuzer gaan kijken naar de mondelinge overleveringen van inheemse culturen over de hele wereld. Ook al kenden zij geen schrift, toch wisten zij zeer complexe kennis duizenden jaren te bewaren met verfijnde geheugentechnieken.

    Quest Historie ★ 03/2019

    Aan de rand van de Indische Oceaan, op zo’n vijftien kilometer uit de zuidwestkust van Australië, steken twee flinke rotsen uit zee. Over hoe die rotsen zijn ontstaan, vertellen de oorspronkelijke bewoners, de Aboriginals, een legende. Die gaat als volgt: in vroeger tijden was er een grote vlakte die zich uitstrekte tot de plek waar nu die rotsen liggen. Op een dag gingen daar twee vrouwen naar wortels graven, toen zij ineens een vloedgolf op zich zagen afkomen. Ze vluchtten naar hoger gelegen gronden, maar konden niet hard genoeg rennen, want de ene vrouw was hoogzwanger en de andere vrouw droeg een hond met zich mee. De zee overweldigde hen en veranderde hen in deze rotsen. Als je goed kijkt, kun je hierin nog steeds de zwangere vrouw en de vrouw met de hond herkennen.

    Duizenden jaren geleden

    Volgens de Australische geograaf Patrick Nunn van de University of the Sunshine Coast is het meer dan een gewone legende die de aparte vorm van de rotsen verklaart. Want de zestig meter diepe zee tussen de rotsen en het vasteland was lang geleden inderdaad een vlakte. Geologische berekeningen laten zien dat dit land onder is gelopen na een abrupte stijging van de zeespiegel, zo’n 12.000 jaar geleden. Nunn vergeleek tientallen Aboriginalverhalen met nieuwe inzichten uit onderzoek rond de Australische kust door een team van aardwetenschappers.

    Zo zeggen de Aboriginals in Arnhemland, in Noord-Australië, dat hun voorouders woonden in wat nu de Golf van Carpentaria is, een ondiepe zee die zo’n 7500 jaar geleden onder water is gelopen. In zijn boek The Edge of Memory (2018) stelt Nunn dat de verhalen waarschijnlijk slaan op gebeurtenissen die volgden op de laatste ijstijd, toen de ijskappen smolten en de zeespiegel meters steeg. De Aboriginals, die in het verleden geen schrift kenden, hebben dus verhalen met een historische kern van waarheid honderden generaties lang doorverteld.

    Reuzen als voorouders

    Aan het andere uiteinde van de wereld kwam de Deense evolutiebioloog Eske Willerslev van Københavns Universitet tot een soortgelijk inzicht als Nunn. In het noordoosten van Canada zijn er Eskimo- of Inuitlegendes over een verdwenen volk van sterke reuzen, de Tuniit. Een Tuniit-jager kon met gemak een walrus vangen en op zijn rug naar huis dragen. Hij was ook mensenschuw en ging geweld uit de weg. Uiteindelijk verdween hij uit het land van de Inuit.

    Willerslevs onderzoek in 2014 naar de genetische prehistorie van het poolgebied wees op de mogelijke wortels van deze mondelinge overlevering. 4000 jaar heeft de zogenoemde Dorsetcultuur, de Tuniit uit de legendes, het uitgehouden in het Canadese poolgebied, totdat de moderne Inuit in de loop van de Middeleeuwen in het gebied verschenen. DNA-onderzoek laat zien dat beide groepen zich nooit met elkaar vermengd hebben.

    Hoe kan het dat mensen verhalen kunnen navertellen over gebeurtenissen die zich soms wel duizenden jaren geleden hebben afgespeeld? Voor de moderne mens, die gewend is om alles wat onthouden moet worden op te schrijven, is dat zo goed als ondenkbaar.

    Nuttige kennis

    Schriftloze culturen hebben hun kennis en geschiedenis verankerd in liederen, dansen en verhalen. Niet alleen memorabele gebeurtenissen, maar ook alledaagse praktische kennis over wat eetbaar is en wat niet, hoe dieren zich gedragen, hoe je planten als medicijn kunt gebruiken, wie er recht heeft op welke grond en hoe je op reis over land of zee de richting bepaalt.

    Scherpe sterrenkijkers

    Australische Aboriginals zijn oplettende hemeltuurders. Uit hun mondelinge tradities valt een grote hoeveelheid astronomische kennis op te maken. Zo kennen zij de veranderende helderheid van de rode ster Betelgeuze in het sterrenbeeld Orion. Die veranderlijke helderheid werd in de westerse wetenschap pas voor het eerst opgemerkt door de Britse astronoom John Herschel in 1836, maar speelt een grote rol in de eeuwenoude mythologie van de Aboriginals uit de Great Victoria Desert.

    Hierin is Orion de krijger Nyeeruna, die magisch vuur opwekt in zijn rechterhand (Betelgeuze) om toegang te krijgen tot de zeven Yugarilya-zusters (de sterrengroep Plejaden). Hij wordt gehinderd door de oudste zuster Kambugudha (Hyades), die zand in zijn gezicht schopt en hem zo vernedert dat zijn magisch vuur afzwakt. Dit wordt in de mondelinge traditie als een cyclisch proces voorgesteld, waarbij de rechterhand van Nyeeruna steeds oplicht en vervaagt.

    Opvallend is de overeenkomst met een verhaal uit de Griekse mythologie, waarin de Plejaden zeven zusters zijn die door de jager Orion het hof worden gemaakt. Hoe het komt dat de Grieken en Aboriginals dezelfde sterrenbeelden zagen, en waarom hun verhalen zo sterk overeenkomen, is vooralsnog een raadsel.

    Voor een gemeenschap was het zo nauwkeurig mogelijk opslaan en voordragen van deze kennis van levensbelang. Die verantwoordelijkheid lag vaak bij zogenoemde kennisbewaarders. Zij vertelden avond na avond met gevoel voor drama verhalen rond het kampvuur. Ze waren wandelende bibliotheken die uit nieuwe generaties hun opvolgers opleidden.

    Stenen, kralen en schelpen

    Kennisbewaarders gebruikten verschillende geheugentechnische hulpmiddelen. Stamoudsten van de Aboriginals hanteren als geheugensteun bij het voordragen de tjuringa, een ovalen steen vol abstracte motieven. De Luba, een Congolees volk dat tot de Belgische kolonisatie een eigen koninkrijk had, kenden een speciale elitegroep die de historische en mythische verhalen voordroeg, en kennis overbracht over jachttechnieken, smeedkunst, astronomie, goden en voorouderlijke ceremonies. Dit gebeurde tijdens speciale ceremonies. Hierbij maakten de vertellers gebruik van een met kralen, schelpen en houtsnijwerk gedecoreerd houten geheugenbord, een zogeheten lukasa.

    Verreweg de meest effectieve geheugentechniek die wereldwijd wordt gebruikt, is het zogeheten ‘geheugenpaleis’. Daarbij wordt kennis gelinkt. aan herkenningspunten op een route in een landschap, op straat of in een gebouw Onder meer de Oud-Griekse en Romeinse redenaars gebruikten deze techniek, ook wel de ‘loci-methode’ genoemd, om zich verhalen te kunnen herinneren.

    De uitvinding hiervan wordt vaak toegeschreven aan de dichter Simonides van Keos, die in de zesde eeuw voor Christus leefde. Maar volgens de Australische communicatiewetenschapper Lyne Kelly is hij alleen maar de eerste die erover schreef. Geheugenpaleizen werden al lang voor de uitvinding van het schrift gebruikt door culturen overal ter wereld. haar boek The Memory Code (2016) geeft talloze voorbeelden uit inheemse en prehistorische culturen.

    Een aparte kamer voor iedere herinnering

    Culturen overal ter wereld kennen de loci-methode, waarbij je locaties gebruikt om dingen te onthouden. Niet zo gek, want dat de methode zo goed werkt heeft een neurowetenschappelijke verklaring. Het geheugen en het ruimtelijk bewustzijn zijn namelijk met elkaar verweven in de hippocampus. Dit deel van het brein helpt ons om onze plaats in een ruimte te bepalen, en om nieuwe herinneringen op te slaan.

    Uit recent onderzoek van het Nobelprijswinnende echtpaar Edvard en May-Britt Moser blijkt dat ons brein het vermogen heeft om voor elke herinnering een aparte ‘kamer’ aan te maken in de hippocampus. Dat zorgt ervoor dat we herinneringen uit elkaar kunnen houden, ook als die erg op elkaar lijken.

    Aboriginals kennen de loci-methode als de ‘gezongen lijnen’ en ‘droomsporen’, waarbij zij voor elke locatie een lied, een verhaal of een ceremonie hebben die puur met die specifieke plaats is verbonden. De Yanyuwa in het noorden van Australië hebben een verzameling van gezongen verhalen op een route van meer dan 800 kilometer. De reusachtige knaloranje rotsformatie Uluru in het hart van Australië dient als een geheugensteun voor de mythes van de Anangu.

    Stonehenge is geheugensteun

    Ook steencirkels zoals het complex bij Stonehenge moeten volgens Kelly zo’n functie als geheugenpaleis hebben gehad. ‘Stonehenge is gebouwd door een landbouwend volk dat 4000 jaar terug zijn eigen kennissysteem naar de Britse eilanden meebracht’, legt zij uit. ‘De oorspronkelijke bewoners met wie de megalietenbouwers zich vermengden waren jagers-verzamelaars, die het landschap dat zij door en door kenden als geheugenpaleis gebruikten. In die overgang van mobiele jagerscultuur naar landbouwcultuur op vaste grond zie je over de hele wereld ineens steencirkels gebouwd worden.’ Die vervingen het landschap als de plek die de kennisbewaarders van die tijd gebruikten om belangrijke zaken te onthouden en uit te wisselen, aldus Kelly.

    Die kennis is inmiddels nauwelijks meer te achterhalen, maar zal ook toen verpakt zijn in verhalen en liederen met mensen in de hoofdrol. ‘Wat we als onderzoekers onderschat hebben, is de waarde van het toevoegen van personages aan verhalen’, zegt Kelly. ‘Een relaas met levendige figuranten is veel makkelijker te onthouden dan een opsomming van feiten.’

    Zo hebben bijzondere personages zoals de verlegen Tuniit uit het Inuitverhaal, of de in rotsen veranderde vrouwen uit het Aboriginalverhaal, ervoor gezorgd dat oeroude verhalen zijn blijven hangen en vele generaties werden doorverteld.

    Getuigen van een ramp

    Een bijzondere mythe die in 1865 werd opgetekend bij de Klamath-indianen in de Amerikaanse staat Oregon verklaart waarom zij grote eerbied hebben voor het bergmeer Crater Lake. Lang geleden wilde de god van de onderwereld Llao de knappe dochter van het Klamath-stamhoofd tot zijn vrouw nemen, maar zij weigerde met hem mee te gaan.

    Woest door de afwijzing zwoer Llao de Klamath te vernietigen met de vloek van het vuur. Vanuit zijn berg liet Llao roodgloeiende rotsen door de lucht vliegen en brandende as regenen. Verschrikt vluchtten de mensen weg. Maar zij werden gered door Skell, de god van de bovenwereld, die Llao terugdreef naar de onderwereld en de berg bovenop hem liet instorten. Er zouden nog vele jaren met regen volgen, die het gat van de ingestorte berg met water vulde.

    Ontdaan van al zijn bovennatuurlijke elementen is het een vrij accurate beschrijving van het uitbarsten en ineenstorten van vulkaan Mazama en het bijna 600 meter diepe Crater Lake dat hieruit is ontstaan. Het lijkt er sterk op dat de Klamath-indianen, die al zeker 10.000 jaar in hetzelfde gebied wonen, ooggetuigen zijn geweest van een gebeurtenis die zo’n 7600 jaar geleden plaatsvond. Het moet volgens geologen van nu een van de zwaarste vulkaanerupties uit de afgelopen 10.000 jaar zijn geweest.


    Verschenen in het populairwetenschappelijke tijdschrift Quest Historie, nr. 3 van 2019. Download hier als pdf. Quest Historie ging als titel ter ziele eind 2022.